Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kortteenleeuwerik

Kortteenleeuwerik | Calandrella brachydactyla

Greater Short-Toed Lark | Terrera común

De kortteenleeuwerik is een kleine, bleke leeuwerik van droge, open vlakten. In het noorden van het gebied is hij een algemene broedvogel van steppe en akkers, en in het voor- en najaar trekken enorme aantallen over de Sahara, de Sinaï en het Arabisch Schiereiland. Troepen van honderden vogels die laag over een vlakte zwermen zijn dan een gewoon beeld.

Kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla)
Foto: Len Worthington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, kort drrit of tsjirrp, vaak in reeksjes van trekkende troepen. De zang is een korte, herhaalde kwetterende frase, tsjie-tsjie-tsjirrup, gebracht in een golvende zangvlucht waarbij de vogel bij elke frase stijgt.

Luister: ZangXC1182290

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, slank en bleek zandkleurig, met een korte, dikke, spitse kegelsnavel. De onderdelen zijn wit en ongestreept, met een kleine donkere vlek aan de zijkant van de hals die soms bijna verborgen is. Bovendelen zandkleurig tot grijsbruin met donkere strepen, kruin vaak warm roestkleurig, duidelijke lichte wenkbrauwstreep. De lange tertials bedekken de handpennen vrijwel geheel. De rij middelste dekveren vormt een donker bandje in de vleugel. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De kleine kortteenleeuwerik (Alaudala rufescens) heeft een fijn gestreepte borst zonder halsvlek, een duidelijke handpenprojectie voorbij de tertials en een kortere, stompere snavel. Blanfords kortteenleeuwerik (Calandrella blanfordi) in het hoogland van Zuidwest-Arabië heeft een egaler roestrode kap. De duinpieper (Anthus campestris) is slanker, met een langere staart, dunne snavel en kwikstaartachtige houding. De bergkalanderleeuwerik (Melanocorypha bimaculata) is veel groter en zwaarder gebouwd.

Leefgebied

Droge, open vlakten met lage, schaarse begroeiing: steppe en halfwoestijn, alfa-steppe, kale akkers, braak en stoppelvelden, opgedroogde zoutvlakten en kustvlakten. Tijdens de trek ook in volle woestijn, op grasvelden en in oases.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in vrijwel de hele Maghreb van Marokko tot Tunesië, vooral op de hoogvlakten en aan de rand van de Sahara, in Noord-Libië, in de Levant (Israël, Judea en Samaria, Jordanië, Libanon en Syrië) en in Irak; in Saoedi-Arabië een zeldzame broedvogel. In april–mei en augustus–oktober een zeer talrijke doortrekker in het hele gebied, ook in Egypte en op het hele Arabisch Schiereiland. Overwintert vooral in de Sahel, maar in Saoedi-Arabië en de Golfstaten ook een algemene wintergast. Daarbuiten broedt hij van Zuid-Europa en Turkije tot Centraal-Azië en Mongolië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko zie je hem in april–juni op het Tagdilt-plateau en de vlakten rond Missour en Midelt. Op de trek zijn troepen bij Eilat, in de Negev en langs de Golfkust een gewoon verschijnsel; zoek daartussen naar de kleine kortteenleeuwerik.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Europa is de soort sterk afgenomen door intensivering van de landbouw en verlies van steppe; in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is hij nog algemeen, maar overbegrazing en omzetting van steppe in irrigatielandbouw verkleinen plaatselijk het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Calandrella brachydactyla | (Leisler, 1814)

Leisler beschreef de soort in 1814 als Alauda brachydactila; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calandrella werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Calandrella is een verkleinwoord van het Griekse kalandros, de kalanderleeuwerik, dus zoiets als 'kleine kalanderleeuwerik'. brachydactyla komt van het Griekse brakhus 'kort' en daktulos 'teen', naar de korte tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Montpellier in Frankrijk.