Alle soorten › Steltloperachtigen › Krabplevieren › Krabplevier
Krabplevier | Dromas ardeola
Crab-Plover | Dromas
Een eigenzinnige zwart-witte steltloper, de enige soort in zijn familie, met een zware, zwarte, dolkvormige snavel waarmee hij krabben kraakt. Hij is een specialiteit van de kusten rond het Arabisch Schiereiland en broedt als enige steltloper in zelfgegraven holen in het zand.
Geluid
Luidruchtig: een blaffend, nasaal kjoew of ka-how, en in groepen een aanhoudend, schel gekwetter tjuk-tjuk-tjuk; ook 's nachts te horen.
Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en hoogpotig, met een opvallend zware, rechte zwarte snavel en lange blauwgrijze poten. Het verenkleed is wit met een zwarte mantel en zwarte handpennen; de kop is wit, soms met fijne grijze streepjes op de achterkruin. Jonge vogels hebben de mantel zilvergrijs in plaats van zwart en de kruin grijs gestreept. In vlucht steken de poten ver achter de staart uit en tonen de vleugels een zwart-wit patroon met zwarte handpennen. Vaak in luidruchtige groepen, die rechtop staand op een zandbank rusten.
Verwarringssoorten
De kluut (Recurvirostra avosetta) is ook zwart-wit, maar heeft een zwarte kap, een dunne, opgewipte snavel en zwarte schouderstrepen in plaats van een zwarte mantel. De scholekster (Haematopus ostralegus) heeft een zwarte kop en borst, een oranjerode snavel en roze poten. Op afstand kan een groep rustende krabplevieren op een groep sterns of meeuwen lijken; de lange poten en de rechte, dikke snavel geven de doorslag.
Leefgebied
Getijdenvlakten, zandige en slibrijke kusten, koraalriffen bij laagwater, mangrovekreken en kustlagunes, waar hij vooral krabben vangt; actief bij laagwater, ook in de schemering en bij maanlicht. Broedt in dichte kolonies op lage, zandige eilanden, waar elk paar een tot twee meter lange hol in het zand graaft; het ene ei wordt deels door de warmte van het zand uitgebroed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in het noordwesten van de Indische Oceaan. In het gidsgebied liggen de grootste kolonies in de Golf: op Bubiyan in Koeweit, op eilanden voor de Saoedische Golfkust en in Abu Dhabi (onder meer rond Abu al Abyad); verder op eilanden in de Saoedische en Jemenitische Rode Zee, zoals de Farasan-eilanden en rond Kamaran. Buiten de broedtijd wijdverbreid langs de kusten van de Golf, Oman en Jemen; de wadden van Barr al Hikman en Masirah in Oman houden de grootste wintergroepen ter wereld, en ook rond Socotra en in Bahrein en Qatar komt hij geregeld voor. Schaars langs de Egyptische Rode Zeekust, vooral in het zuiden; in Israël (Eilat) een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij in Iran, Eritrea en Somalië en overwintert langs de kusten van Oost-Afrika tot Madagaskar, en in India en Sri Lanka.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter zitten grote groepen op de wadden van Barr al Hikman en bij Filim en Shannah tegenover Masirah (Oman); ook Khor Kalba en de kust van Abu Dhabi (Emiraten) en het noorden van Bahrein zijn betrouwbaar. Kom bij laagwater, als de vogels op de platen jagen, en blijf ver van broedeilanden om de kolonies niet te verstoren.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar met een beperkt aantal grote broedkolonies erg kwetsbaar: kustbebouwing, landaanwinning en recreatie in de Golf, verstoring en het rapen van eieren op broedeilanden, en vervuiling door olie bedreigen de soort. Het beschermen van de broedeilanden, zoals Bubiyan en de eilanden van Abu Dhabi, is van groot belang.
Wetenschappelijke naam
Dromas ardeola | Paykull, 1805
Paykull beschreef de soort in 1805 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Dromas voerde hij in datzelfde werk in. Dromas is het Griekse woord voor 'loper, hardloper' — naar de manier waarop de krabplevier over het wad achter krabben aan rent. ardeola is een verkleinwoord van het Latijnse ardea, 'reiger' — 'reigertje', naar het hoogpotige, reigerachtige voorkomen en het zwart-witte kleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.

