Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Krombekstrandloper
Krombekstrandloper | Calidris ferruginea
Curlew Sandpiper | Correlimos zarapitín
Een slanke, langpotige strandloper met een gelijkmatig gebogen snavel en een helderwitte stuit. Hij trekt in grote aantallen door het gidsgebied tussen de Siberische toendra en Afrika, en in mei kleuren groepen in steenrood broedkleed de zoutpannen van Tunesië, Egypte en de Golf.
Geluid
Een zacht, rollend en tweelettergrepig tsjirrup, voller en ronder dan het schrapende krieep van de bonte strandloper.
Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Slanker, langer van hals en poot en hoger op de poten dan de bonte strandloper, met een lange, over de hele lengte gelijkmatig naar beneden gebogen zwarte snavel en zwarte poten. In broedkleed (april–augustus) zijn kop en onderdelen diep steenrood en de bovendelen zwart, rood en wit gevlekt; tussenkleden zijn rood gevlekt. In winterkleed lichtgrijs boven en wit onder, met een duidelijke witte wenkbrauw. Juvenielen hebben regelmatig geschubde bovendelen en een warm perzikkleurige borst. In vlucht is de vierkante, helderwitte stuit boven de donkere staart beslissend.
Verwarringssoorten
De bonte strandloper (Calidris alpina) is korter van poot en snavel, met een knik nabij de punt in plaats van een gelijkmatige boog, en heeft altijd een donkere middenstreep over de stuit. De breedbekstrandloper (Calidris falcinellus) is kleiner, korter van poot en heeft een gevorkte wenkbrauw. De kanoet (Calidris canutus) heeft in broedkleed ook een rode onderkant, maar is veel gedrongener, met een rechte snavel en een grijze stuit. Een opvliegende vogel met een witte stuit tussen bontjes is bijna altijd een krombek.
Leefgebied
Ondiep brak en zout water met zachte modder: zoutpannen, sebkha's, lagunes, getijdenvlakten en kustplassen, waar hij dieper waadt dan andere kleine strandlopers. Op doortrek ook aan zoete binnenwateren, rioolvijvers en stuwmeren, en aan de oevers van de Nijl.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Doortrekker in het hele gebied. In het voorjaar trekken grote aantallen over Tunesië en Libië en langs de Egyptische kust (onder meer de deltameren), en door de Rode Zee-zone, de Sinaï en Israël; bij Eilat is hij in april–mei een van de talrijkste strandlopers. In de herfst komen eerst de volwassen vogels (juli–augustus), daarna de juvenielen (augustus–oktober). Overwintert in aantal langs de Golfkust van Koeweit tot de Emiraten, langs de kusten van Oman (Barr al Hikman), de Rode Zeekust van Saoedi-Arabië en Jemen en rond Socotra; in Noord-Afrika plaatselijk in Tunesië (golf van Gabès) en langs de Atlantische kust van Marokko en West-Sahara, en schaars in Egypte en Irak. Daarbuiten broedt hij op de toendra van Noord-Siberië, van Jamal tot de Kolyma, en overwintert hij in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In mei zijn de zoutpannen van Eilat, Sfax en de lagunes van de Golf de beste plekken om groepen in volledig rood broedkleed te zien. Bij twijfel in een gemengde groep strandlopers: wacht op het opvliegen en zoek de witte stuit.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De soort gaat langs de meeste trekroutes sterk achteruit door verlies van getijdenvlakten, vooral rond de Gele Zee, en door wisselend broedsucces op de toendra. In het gidsgebied zijn zoutpannen en lagunes als pleisterplaats van groot belang; verlies door bebouwing, het staken van zoutwinning en jacht in delen van Noord-Afrika vormen bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Calidris ferruginea | (Pontoppidan, 1763)
Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Tringa Ferrugineus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. ferruginea komt van het Latijnse ferrugo, ferruginis 'ijzerroest', naar de roodbruine kleur van het broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Denemarken.


