Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Krooneend
Krooneend | Netta rufina
Red-Crested Pochard | Pato colorado
Een forse duikeend met een ronde, oranjerode kop en een koraalrode snavel bij het mannetje: in een groep tafeleenden en kuifeenden direct te vinden. In het gebied vooral een wintergast op de grotere zoete meren, van de Maghreb tot de moerassen van Irak, in kleine en wisselende aantallen.
Geluid
Meestal stil. Het mannetje geeft in de balts een niezend, schurend bäit, het vrouwtje een rauw, ratelend kurr.
Opname: Philippe_Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 55 cm, groot en vol van bouw met een grote kop. Het mannetje heeft een bolle, roestoranje kop met een bleker gele kruin, een felrode snavel en een rood oog; borst, hals en onderstaart zijn zwart, de flanken wit en de rug bruin. Het vrouwtje is egaal grijsbruin met een donkere kap tot onder het oog, contrasterend lichtgrijze wangen en keel en een donkere snavel met roze punt. Mannetjes in eclipskleed lijken op het vrouwtje maar houden de rode snavel. In vlucht valt een brede witte vleugelstreep over bijna de hele vleugel op.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de tafeleend (Aythya ferina) heeft een kastanjebruine kop, een donkere snavel met lichte band en grijze flanken. Het vrouwtje lijkt op het vrouwtje van de zwarte zee-eend (Melanitta nigra) door de donkere kap en lichte wangen, maar die is veel donkerder, heeft geen witte vleugelstreep en leeft op zee. Een vrouwtje krooneend is ook te onderscheiden van een vrouwtje wilde eend (Anas platyrhynchos) aan de lichte wangen en de egale flanken.
Leefgebied
Grote, vrij diepe zoete of licht brakke meren met rijke onderwatervegetatie, vooral kranswieren, en rietkragen; in de winter ook stuwmeren en kustlagunes. Duikt naar waterplanten, maar grondelt en kiept ook als een grondeleend. Broedt in dichte oevervegetatie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In de winter op de grote wetlands van Noordwest-Afrika: in Marokko schaars (onder meer Sidi Bou Ghaba en Merja Zerga), in Noordoost-Algerije bij El Kala en in Tunesië onder meer op het meer van Ichkeul. Broedgevallen in de Maghreb zijn schaars en onregelmatig. In Egypte, Israël en Syrië een schaarse wintergast. In Irak regelmatig op de moerassen en meren langs Eufraat en Tigris; in Koeweit, Saoedi-Arabië en de Golfstaten een zeldzame gast. Daarbuiten van Spanje en Midden-Europa via de Zwarte Zee en Turkije tot Centraal-Azië, met overwinteraars tot in India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de winter tussen grote groepen duikeenden op Ichkeul of de meren bij El Kala: een mannetje met zijn vurige kop is van ver te herkennen. Vrouwtjes zijn moeilijker en vallen vooral op door de lichte wangen; let op vogels die aan de oppervlakte grondelen in plaats van duiken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In Europa en Centraal-Azië is de populatie groot en stabiel tot toenemend. In het gebied hangt het voorkomen af van de toestand van enkele grote wetlands; verlies van waterplanten door vervuiling, verzilting en droogte, en jacht op de overwinteringsplaatsen zijn de knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Netta rufina | (Pallas, 1773)
Pallas beschreef de soort in 1773 als Anas rufina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Netta werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Netta is Grieks, van nētta 'eend'. rufina is Latijn voor 'goudrood', van rufus 'roodachtig', naar de roestrode kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaspische Zee.


