Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Levaillants specht

Levaillants specht | Picus vaillantii

Levaillant's Woodpecker | Pito bereber

De groene specht van Noord-Afrika, een endemische soort van de Maghreb die alleen in Marokko, Algerije en Tunesië voorkomt. Hij leeft in eiken-, ceder- en dennenbos van het kustgebied tot hoog in de Atlas en is, net als zijn Europese verwanten, veel op de grond te vinden waar hij naar mieren zoekt.

Levaillants specht (Picus vaillantii)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, lachend kju-kju-kju-kju, wat hoger en minder schel dan de lach van de groene specht en vaak versnellend; in vlucht een kort kjak. Roffelt zelden.

Luister: VluchtroepXC1097930

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Een grote, groene specht met een gelige stuit, een grijsachtig gezicht en lichtgrijze, ongetekende onderdelen. Het mannetje heeft een rode kruin en nek en een rode baardstreep met een smalle zwarte rand; het wijfje heeft alleen de achterkop en nek rood, de kruin grijs, en een geheel zwarte baardstreep. Kenmerkend is de grijze teugel en wang zonder zwart masker rond het oog. De snavel is lang en grijs met een gele ondersnavelbasis, het oog wit. Jonge vogels zijn op de onderdelen en flanken donker gestreept en gevlekt. Golvende vlucht met een opvallend gele stuit.

Verwarrings­soorten

Binnen het gidsgebied is er geen andere groene specht. Wie uit Europa komt, vergelijkt hem met de groene specht (Picus viridis), die een zwart masker rond het oog heeft, en met de Iberische groene specht (Picus sharpei), die net als Levaillants specht geen zwart om het oog heeft, maar groener van gezicht en onderdelen is en bij het wijfje een geheel rode kruin heeft; bij het wijfje van Levaillants specht is alleen de achterkop rood en de voorkruin grijs. Op afstand kan een jonge vogel op de grond aan een grote lijster doen denken, tot hij de gele stuit laat zien.

Leefgebied

Bos met oude bomen: kurk- en steeneikenbos, cederbos, Aleppo- en zeedennenbos, ook open bos met grazige open plekken, oude olijfgaarden en bosranden; van zeeniveau tot ongeveer 2.400 m in de Hoge Atlas. Foerageert veel op de grond naar mieren, en hakt zijn nesthol in een zachte of aangetaste boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Endemisch voor de Maghreb. In Marokko verspreid door de Rif, de Midden-Atlas en de Hoge Atlas, met uitlopers naar de westelijke Anti-Atlas, en in het laagland in het kurkeikenbos van de Mamora en rond Rabat; in Algerije in de bosrijke Tell en de Saharaatlas tot de Aurès; in Tunesië in het noordwesten (Kroumirie, Mogods) en plaatselijk in de bergen van de Dorsale. Ontbreekt in Libië en verder oostwaarts. Daarbuiten komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het cederbos rond Ifrane en Azrou in de Midden-Atlas en het bos van de Mamora bij Rabat zijn de bekendste plekken. In de Tunesische Kroumirie, rond Aïn Draham, is hij vrij algemeen. Luister in de vroege ochtend naar de lach en zoek op open plekken in het bos naar een groene vogel op de grond.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en binnen zijn klein areaal vrij algemeen. Hij is afhankelijk van bos met oude bomen; overbegrazing, houtkap en kap voor brandhout, bosbranden en het verdwijnen van oude olijfgaarden verkleinen plaatselijk zijn leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Picus vaillantii | (Malherbe, 1847)

Malherbe beschreef de soort in 1847 als Chloropicus Vaillantii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Picus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Picus is het Latijnse woord voor 'specht' en tevens de naam van Picus, in de Romeinse mythologie de eerste koning van Latium, die door de tovenares Circe in een specht werd veranderd. vaillantii eert de Franse reiziger, verzamelaar en vogelkundige François Levaillant (1753–1824). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.