Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Draaihals
Draaihals | Jynx torquilla
Eurasian Wryneck | Torcecuello euroasiático
Een afwijkende, zangvogelachtige specht die niet hakt en niet tegen stammen klimt, maar mieren van de grond en uit schors pikt. Zijn schutkleur van grijs, bruin en roest doet eerder aan een nachtzwaluw denken dan aan een specht. In de Maghreb broedt de lichte vorm mauretanica als standvogel; door de rest van het gidsgebied trekken in voor- en najaar vogels uit Europa en West-Azië naar hun winterkwartier in de Sahel.
Geluid
De zang is een reeks van tien tot vijftien klagende, nasale tonen, kie-kie-kie-kie of tjie-tjie-tjie, die iets aan een kleine valk doet denken en in het voorjaar uit boomgaarden en bosranden klinkt. Op doortrek meestal stil; bij het nest een zacht sissen en tikken.
Opname: Gustav Haapalahti — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Slank, met een kort, puntig snaveltje en een lange, afgeronde staart met vier tot vijf smalle donkere dwarsbanden. De bovendelen zijn zilvergrijs, fijn bespikkeld, met een donkere ruitvormige baan van kruin over de rug en bruine, geblokte vleugels; de keel en borst zijn geelbeige met fijne donkere dwarsbandjes, de buik lichter met pijlvlekjes. Een donkere oogstreep loopt naar de nek. De geslachten zijn gelijk. De Maghrebvorm mauretanica is wat kleiner en bleker, met een witter onderlijf. Bij gevaar draait hij kop en hals slangachtig rond, waaraan hij zijn naam dankt.
Verwarringssoorten
In het veld lijkt hij eerder op een zangvogel dan op een specht. De sperwergrasmus (Curruca nisoria) is ook grijs met dwarsgebandeerde onderdelen, maar mist de bruine rugbaan en de gebandeerde staart. Een nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) heeft een vergelijkbaar schutkleurpatroon, maar is veel groter met lange vleugels en een breed, kort snaveltje; nachtzwaluwen zitten overdag doodstil op de grond of in de lengte op een tak. Een wijfje grauwe klauwier (Lanius collurio) heeft een haaksnavel en effen bruine bovendelen.
Leefgebied
Halfopen landschap met oude bomen en kale of kort begroeide grond waar mieren zitten: boomgaarden, olijf- en amandelgaarden, open eiken- en cederbos, rivierbos en tuinen. Broedt in een bestaande holte, ook in nestkasten en muren. Op doortrek vrijwel overal waar struiken staan: oases, wadi's met acacia's, parken en kustvegetatie, ook diep in de woestijn.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
De vorm mauretanica broedt in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië: in de Rif, de Midden- en Hoge Atlas, de Tell en de Kroumirie, vooral in olijfgaarden en open bos; vrijwel standvogel, met enige verplaatsing naar lagere delen in de winter. Trekvogels van de nominaatvorm passeren het hele gebied op breed front: in de Maghreb, door Libië en de Sahara-oases, langs de Nijl en door Sinaï, de Levant (veel in Israël, de Jordaanvallei en Jordanië) en het Arabisch Schiereiland tot Jemen en Oman. Een klein deel overwintert in het gebied, met name in de Nijlvallei, de Levantijnse laaglanden, Zuidwest-Arabië en Jemen. Daarbuiten broedt de soort van Europa tot Japan en overwintert in de Sahel, Oost-Afrika en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Maghreb hoor je hem in april–mei het best in olijfgaarden en open eikenbos in de Midden-Atlas, bijvoorbeeld rond Ifrane en Azrou. Op doortrek is hij in maart en september een vaste waarneming in Eilat en in de Sinaï; zoek op de grond onder lage struiken en in kale plekken in parken, waar hij naar mieren zoekt en pas vlak voor je voeten wegvliegt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van Europa sterk achteruitgegaan door intensivering van de landbouw en het verdwijnen van hoogstamboomgaarden en schrale graslanden met mieren. In de Maghreb is de broedvogel afhankelijk van traditionele olijf- en fruitgaarden en open bos; gebruik van insecticiden en het kappen van oude bomen met holten bedreigen hem plaatselijk.
Wetenschappelijke naam
Jynx torquilla | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Jynx voerde hij in datzelfde werk in. Jynx is de oud-Griekse naam voor deze vogel, iunx. torquilla is middeleeuws Latijn, van torquere 'draaien', naar de slangachtige draaibewegingen van de hals. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


