Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Moabmus
Moabmus | Passer moabiticus
Dead Sea Sparrow | Gorrión del Mar muerto
De moabmus is de kleinste mus van het gebied, een fijn gebouwde vogel van tamariskstruwelen langs water in de diepe slenk van de Jordaanvallei en de Dode Zee en in Mesopotamië. Het mannetje is met zijn grijze kop, zwarte bef en gele halsvlek een van de bontst getekende mussen van het Midden-Oosten.
Geluid
Zachter, hoger en muzikaler dan andere mussen: een reeks fijne, ijle tsjilpjes vanuit de top van een tamarisk, en in de vlucht een hoog tsji-wit. Een kolonie laat een zacht, aanhoudend getinkel horen.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Duidelijk kleiner dan een Huismus, met een korte, spitse snavel en een ronde kop. Het mannetje heeft een grijze kruin en wang, een kleine zwarte bef, een lichte wenkbrauwstreep die naar achteren okerkleurig wordt en overgaat in een citroengele vlek op de halszijde, een roestbruine, zwart gestreepte rug met een kastanjebruine schoudervlek en effen grijswitte onderdelen. Het vrouwtje lijkt op een klein, bleek vrouwtje Huismus, met soms een zweem geel op de halszijde. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de Huismus (Passer domesticus) en de Spaanse mus (Passer hispaniolensis) is groter, heeft een grotere bef en geen geel. Het vrouwtje is vooral te herkennen aan het kleine formaat, de fijne snavel en de bleke tint, en aan het gezelschap van mannetjes. De Indische rotsmus (Gymnoris xanthocollis) heeft een volkomen effen kop en witte vleugelstrepen.
Leefgebied
Tamariskstruwelen, rietkragen en oeverbossen langs rivieren, beken en bronnen, ook rond zoutmoerassen, visvijvers en irrigatiekanalen in een droge omgeving; in Mesopotamië ook populierenbos en palmgaarden. Bouwt grote, bolvormige nesten van takjes in tamarisken, soms in losse kolonies. Buiten de broedtijd in groepen op akkers en braakland bij water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In de Jordaanvallei aan beide kanten van de rivier, van het Meer van Galilea en Bet She'an tot de Dode Zee, en verder zuidelijk plaatselijk in de Arava en Wadi Araba; ook in Jordanië bij Azraq. Verspreid en plaatselijk in Syrië, en met een eigen ondersoort (mesopotamicus) in de rivierdalen van Irak. In de winter zwervend in groepen en dan ook buiten de broedgebieden, tot in Koeweit; in de Sinaï en de rest van Arabië zeldzaam. Daarbuiten in Zuidoost-Turkije, Iran en Afghanistan; zelden op Cyprus.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in het voorjaar de tamariskstruwelen langs de noordelijke Dode Zee, bij Ein Gedi of in de Jordaanvallei bij Bet She'an, en luister naar het fijne getinkel van een kolonie. De bolvormige nesten verraden een broedplaats al van afstand.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Afhankelijk van tamariskstruwelen bij water, die in het droge Midden-Oosten kwetsbaar zijn voor ontwatering, ontginning en de dalende waterstand van de Dode Zee.
Wetenschappelijke naam
Passer moabiticus | Tristram, 1864
Tristram beschreef de soort in 1864 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. moabiticus is Latijn voor 'Moabitisch', naar Moab, het bijbelse land bij de Dode Zee waar de soort het eerst broedend werd gevonden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Palestina.


