Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Mongoolse pieper

Mongoolse pieper | Anthus godlewskii

Blyth's Pipit | Bisbita de Blyth

De Mongoolse pieper is een middelgrote, gestreepte pieper van de Mongoolse steppen, die in India overwintert en in het oosten van het gidsgebied als schaarse wintergast opduikt. Hij lijkt sterk op de grote pieper en de duinpieper, en wordt in de Golfstaten vooral op grasvelden, akkers en golfbanen gevonden.

Mongoolse pieper (Anthus godlewskii)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, iets hees psjiu of tsjup, zachter en minder explosief dan het sjriep van de grote pieper, en vaak gevolgd door een nasaal tsjup-tsjup. Op de winterplaats meestal te horen bij het opvliegen.

Luister: ZangXC1027083

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15,5–17 cm, merkbaar compacter, korter van staart en poot dan de grote pieper, met een boompieperachtige indruk en een minder rechtopstaande houding. De snavel is korter en spitser, de achternagel korter en sterker gebogen. De bovenzijde is warm zandbruin met donkere strepen; de borst is beige met fijne, korte strepen, en de baardstreep is smal. Het beste kenmerk zit op de middelste vleugeldekveren van volwassen vogels: een zwarte kern die recht is afgesneden, met een brede, scherp begrensde roomkleurige punt. Op de tweede buitenste staartpen is het wit een korte, scherpe wig. Jonge vogels in het eerste najaar hebben nog jeugdveren in de vleugel en zijn lastiger.

Verwarrings­soorten

De grote pieper (Anthus richardi) is groter, langer van staart en poot, met een zware snavel en een lange, vrijwel rechte achternagel; de middelste vleugeldekveren hebben een spits toelopende donkere kern, en de roep is een explosief, schreeuwerig sjriep. De duinpieper (Anthus campestris) is bleker en vlakker getekend, met een donkere teugel en weinig borststreping, en roept een zacht tsjilp. De boompieper (Anthus trivialis) is olijfbruin, met korte roze poten en gestreepte flanken en een hees tiez. In het gebied zijn roep en dekveren op een foto het doorslaggevend.

Leefgebied

Op de winterplaatsen open droog grasland en braakland met korte vegetatie, akkers en luzernevelden, golfbanen, sportvelden en randen van irrigatiegebied. Loopt rustig door het gras en vliegt pas laat op. In het broedgebied droge steppe en grashellingen in het berggebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied een schaarse tot zeldzame doortrekker en wintergast in Oost-Arabië: in de Verenigde Arabische Emiraten onregelmatig tot schaars sinds het eerste geval in 1993 (Abu Dhabi), verder in Oman, Qatar, Bahrein, Koeweit en Oost-Saoedi-Arabië. In Israël en Egypte een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij in Mongolië, Zuid-Siberië (Transbaikalië) en Noord-China, en overwintert hij vooral in India en Sri Lanka.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van oktober tot maart op golfbanen, luzernevelden en grasvelden in de Emiraten of Oman, vaak samen met grote piepers. Laat de vogel opvliegen en luister naar de roep; maak daarna foto's van de middelste vleugeldekveren, want die zijn bij een volwassen vogel doorslaggevend.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gebied een schaarse wintergast aan de westrand van het overwinteringsgebied; door de grote gelijkenis met de grote pieper wordt hij waarschijnlijk deels over het hoofd gezien.

Wetenschappelijke naam

Anthus godlewskii | (Taczanowski, 1876)

Taczanowski beschreef de soort in 1876 als Agrodoma godlewskii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. godlewskii eert de Poolse edelman en veldnatuuronderzoeker Wiktor Godlewski (1831–1900), die tijdens zijn Siberische ballingschap vogels verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het dal van de Argoen in Transbaikalië.