Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Morinelplevier
Morinelplevier | Eudromias morinellus
Eurasian Dotterel | Chorlito carambolo
Een tamme, compacte plevier van de toendra en kale bergtoppen, die overwintert op de steppen en halfwoestijnen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Een groot deel van de wereldpopulatie brengt de winter door in de gordel van Marokko tot Irak en Iran, in kleine, onopvallende groepjes op kale vlakten.
Geluid
In vlucht een zacht, rollend pjurrr of kirrr; ook een zacht, fluitend pwiet. Groepen in de winter zijn vaak stil.
Opname: Hans van Loon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Kleiner en ronder dan de goudplevier, met een korte zwarte snavel en geelachtige poten. Het beste kenmerk in elk kleed: brede, lichte wenkbrauwen die in de nek samenkomen tot een V, en een smalle lichte band over de borst. Winterkleed: grijsbruin tot geelbruin, met bruin geschubde bovendelen, een vage borstband en crèmekleurige wenkbrauwen. Zomerkleed (bij doortrekkers in maart en april al zichtbaar; vrouwtje feller dan mannetje): grijze borst, witte borstband, kastanjebruine flanken en een zwarte buikvlek. In vlucht vrij effen, zonder vleugelstreep; alleen de schacht van de buitenste handpen is wit.
Verwarringssoorten
De goudplevier (Pluvialis apricaria) is groter en goudgespikkeld, zonder de V-vormige wenkbrauwen en de borstband. De Kaspische plevier (Anarhynchus asiaticus) is slanker en langer van poot, met een bruine borst zonder lichte band en een kortere wenkbrauw; vooral doortrekker in het oosten. De woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) is grijzer, met een zwaardere snavel en een witte keel, en leeft op kusten.
Leefgebied
Kale steppen, halfwoestijnen met lage, open begroeiing, stenige vlakten, geploegde akkers en braakland, kale hoogvlakten en oevers van droge chotts. Groepjes rusten tegen de grond gedrukt en zijn verrassend goed gecamoufleerd; ze laten zich vaak dicht benaderen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast op de hoogvlakten en steppen van Marokko (vooral Oost-Marokko, onder meer rond Missour en Boulemane, en de vlakten aan de voet van de Atlas), Algerije (de hoogvlakten en het noorden van de Sahara), Tunesië (centrale en zuidelijke steppen) en schaars in Noord-Libië en Noord-Egypte. In het oosten talrijker: in Israël (noordelijke Negev en de Golan), Jordanië, Syrië en Noord-Irak; schaars in Noord-Saoedi-Arabië en Koeweit, zeldzaam in de Golfstaten en Oman. Op trek ook in Libanon en langs de rand van de Sahara. Broedt in Schotland, Scandinavië, de Alpen en andere Europese bergen, en op de toendra van Noord-Rusland tot Oost-Siberië.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de noordelijke Negev, onder meer bij Nizzana en op de velden rond Be'er Sheva, overwinteren groepen van tientallen tot honderden; zoek van november tot februari op kale, pas geploegde akkers en stenige vlakten. In Marokko op de stenige hoogvlakten rond Missour. Rijd langzaam en scan de grond: de vogels drukken zich en vliegen pas laat op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de Europese broedpopulatie neemt af, onder meer door klimaatverandering en veranderend landgebruik in de bergen. In het gidsgebied bedreigen het omploegen van steppen, overbegrazing en jacht de overwinteringsgebieden.
Wetenschappelijke naam
Eudromias morinellus | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Charadrius morinellus)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius Morinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eudromias werd in 1830 ingevoerd door Brehm. Eudromias is Grieks voor 'goede loper', van eu 'goed' en dromas 'renner'. morinellus is een verkleinvorm bij Grieks mōros 'dwaas', naar de tamheid van de vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


