Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Nachtegaal

Nachtegaal | Luscinia megarhynchos

Common Nightingale | Ruiseñor común

De nachtegaal is een bruine, verborgen levende zangvogel met een rossige staart, beroemd om zijn krachtige zang bij dag en nacht. In het gidsgebied broedt hij in het struikgewas en oeverbos van de Maghreb, de Levant en Irak, en trekt hij door het hele gebied naar Afrika ten zuiden van de Sahara.

Nachtegaal (Luscinia megarhynchos)
Foto: Warrieboy — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid en gevarieerd: heldere fluittonen, snelle herhaalde slagen tsjoek-tsjoek-tsjoek, ratels en een kenmerkend aanzwellend luu-luu-luu-luu crescendo, met lange pauzes, zowel overdag als 's nachts. Roepen zijn een stijgend fluitend hwiet en een laag, krassend krrr.

Luister: VluchtroepXC1165114

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16,5 cm. Bovendelen warm bruin, de stuit en vooral de vrij lange staart helder roodbruin. Onderdelen effen vuil beige, de keel lichter, zonder vlekken. Een groot donker oog met een smalle lichte oogring geeft een zacht gezicht. Poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn licht gevlekt. Vaak staat hij met hangende vleugels en opgeheven staart op de grond. De oostelijke ondersoort golzii (Centraal-Azië, op doortrek in het oosten van het gebied) is bleker, grijzer en langstaartiger met een duidelijkere wenkbrauwstreep; de Kaukasus- en Iraanse vorm africana is iets grijzer dan de nominaat.

Verwarrings­soorten

De noordse nachtegaal (Luscinia luscinia) is donkerder olijfbruin, met een minder rossige staart, een donkere snorstreep en een wazig gevlekte borst. De rosse waaierstaart (Cercotrichas galactotes) heeft een duidelijke wenkbrauwstreep en zwart-witte staartpunten. Het vrouwtje gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is kleiner en trilt voortdurend met de staart.

Leefgebied

Dicht struikgewas en ruige ondergroei in loofbos, oeverbos met wilg, populier en tamarisk, braamstruwelen, maquis, de randen van boomgaarden en olijfgaarden, en dichte oeverbegroeiing langs beken en irrigatiekanalen. Op de trek in elke dichte begroeiing, in oases, tuinen en wadi's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko (vooral in het noorden en in de Atlas, ook in rivierdalen ten zuiden ervan), in het noorden van Algerije en Tunesië en in het noordoosten van Libië (Jebel Akhdar), in de Levant: Israël (vooral het noorden en midden), Libanon, Syrië en het noorden en westen van Jordanië, en in Irak, vooral in het noorden en langs de rivieren. Op de trek door het hele gebied, ook door de Sahara, Egypte, Saoedi-Arabië, Jemen, Oman en de Golfstaten. Overwintert in de savannezone van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Oost-Afrika. Daarbuiten broedt hij in Zuid- en Midden-Europa, Turkije, de Kaukasus, Iran en Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april en mei, als hij net is aangekomen, zingt hij het meest en het luidst: in de oeverbossen van de Middel-Atlas, het Ichkeul-gebied in Tunesië of het Hula-dal in Israël. Op de trek in Eilat of de Golfstaten verscholen in dichte struiken; een rossige staart die in de schaduw verdwijnt is vaak alles wat je ziet.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In delen van West-Europa achteruitgegaan door het verdwijnen van dicht struikgewas; in het gidsgebied wordt hij plaatselijk nog als kooivogel gevangen.

Wetenschappelijke naam

Luscinia megarhynchos | Brehm, 1831

Brehm beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Luscinia werd in 1817 ingevoerd door Forster. Luscinia is het Latijnse woord voor 'nachtegaal'. megarhynchos is Grieks, van megas 'groot' en rhunkhos 'snavel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.