Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Noordse nachtegaal

Noordse nachtegaal | Luscinia luscinia

Thrush Nightingale | Ruiseñor ruso

De noordse nachtegaal, of sprosser, is de oostelijke tweelingsoort van de nachtegaal, iets donkerder en met een gevlekte borst. Hij broedt in Oost-Europa en West-Siberië en trekt via het Midden-Oosten naar Oost- en Zuidoost-Afrika; in het gidsgebied is hij een doortrekker die vooral door de Levant, Egypte en Arabië komt.

Noordse nachtegaal (Luscinia luscinia)
Foto: Egor Vlasov — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de voorjaarstrek soms zingend: een luide zang met diepe, klokkende en ratelende frasen, meer staccato en met minder crescendo dan bij de nachtegaal, en zonder diens fluitende aanloop. Roepen zijn een hoog, fluitend hiet en een laag, krassend krrr.

Luister: ZangXC1165145

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Bovendelen donker olijfbruin, de staart roodbruin maar minder fel dan bij de nachtegaal, de bovenstaartdekveren roestig. De keel is wit met een donkere snorstreep; de borst en flanken zijn grijsbruin met wazige donkere vlekjes of een gevlekte borstband, vooral te zien bij gunstig licht. De buik is vuilwit, de onderstaartdekveren bleek met donkere centra. De handpenprojectie is kort; de buitenste handpen is zeer kort (korter dan de handdekveren), een kenmerk in de hand. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De nachtegaal (Luscinia megarhynchos) is warmer bruin, met een feller rossige staart, een ongevlekte, effen beige borst, geen snorstreep en een lichte oogring die duidelijker opvalt; de oostelijke ondersoort golzii is echter bleker en grijzer en lijkt meer op de noordse nachtegaal. De rosse waaierstaart (Cercotrichas galactotes) heeft een wenkbrauwstreep en zwart-witte staartpunten.

Leefgebied

Op de trek dicht struikgewas en ruigte, vaak bij water: oeverbos met wilg en tamarisk, rietkragen, struiken in oases en tuinen, kibboetsakkers en ruige parken. Houdt zich verborgen dicht bij de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het oosten van het gidsgebied: door Syrië, Libanon, Israël, Jordanië, Irak en Koeweit, over Saoedi-Arabië, Jemen, Oman en de Golfstaten naar Afrika, en door Egypte (Sinaï, Nijlvallei). In het voorjaar vooral in de tweede helft van april en in mei, in het najaar in augustus en september. In Libië schaars, in Tunesië, Algerije en Marokko zeer zeldzaam. Overwintert in Oost-Afrika, van Kenia tot Zimbabwe en Mozambique. Broedt van Denemarken en Zuid-Scandinavië via de Baltische staten en Rusland tot West-Siberië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In mei in de ruige tuinen en struiken van Eilat of bij de ringstations van Israël en Koeweit; de meeste vogels worden in de hand gezien, maar een zingende vogel in de struiken verraadt zich door zijn ratelende, klokkende zang.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in delen van Noord-Europa toegenomen. Op de trek wordt hij in het Midden-Oosten plaatselijk met netten gevangen.

Wetenschappelijke naam

Luscinia luscinia | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Luscinia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Luscinia werd in 1817 ingevoerd door Forster. Luscinia is het Latijnse woord voor 'nachtegaal'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.