Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Pacifische waterpieper

Pacifische waterpieper | Anthus rubescens

American Pipit | Bisbita norteamericano

De Pacifische waterpieper broedt op de toendra en in de bergen van Noord-Amerika en Noordoost-Siberië. Alle vogels in het gebied horen bij de Siberische vorm japonicus, die normaal in Oost- en Zuid-Azië overwintert; aan de westrand van dat winterareaal verschijnt hij als zeldzame maar inmiddels vrijwel jaarlijkse wintergast in de Golfstaten en in Israël, vaak op dezelfde velden als waterpiepers en graspiepers.

Pacifische waterpieper (Anthus rubescens)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is dun, hoog en scherp en vaak dubbel, tsip-it of pi-pit, korter en ijler dan de volle fiest van de waterpieper. Veel gevallen in het gebied zijn eerst op de roep opgemerkt. De zang wordt in het gebied niet gehoord.

Luister: RoepXC1084541

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm, ongeveer zo groot als een waterpieper maar met een iets kortere staart en een fijnere snavel. De vorm japonicus is in de winter koel en contrastrijk: grijsbruin van boven met weinig streping, schoon wit tot licht beige van onderen met zware, zwarte, scherp begrensde strepen op borst en flanken, een duidelijke donkere baardstreep, een witte wenkbrauwstreep en twee opvallende witte vleugelbanden. Het beste kenmerk zijn de roze tot vleeskleurige poten, waar de waterpieper altijd donkere poten heeft. De buitenste staartpennen zijn wit. Tegen het voorjaar wordt de onderzijde warmer beige.

Verwarrings­soorten

De waterpieper (Anthus spinoletta) is de belangrijkste valkuil: hij heeft donkere poten, een witter, minder zwaar gestreept onderlichaam met fijnere strepen, een langere staart, een minder sterke baardstreep en een volle, enkelvoudige roep. De graspieper (Anthus pratensis) heeft ook bleke poten maar is olijfbruiner, met fijnere, minder zwarte strepen en een vlak gezicht, en roept een herhaald ist-ist-ist. De roodkeelpieper (Anthus cervinus) heeft een sterk gestreepte stuit en mantel met witte strepen. Bij een zwijgende vogel in vlak licht is de pootkleur alleen niet genoeg; foto's en een geluidsopname zijn voor aanvaarding vrijwel altijd nodig.

Leefgebied

In het gebied vooral geïrrigeerde landbouwvelden met kort gewas: luzerne- en voedergewassen onder ronddraaiende sproeiers (pivotvelden), grasvelden en parken, verder modderige randen van waterzuiveringen en afvoerkanalen, vaak samen met waterpiepers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied een zeldzame wintergast en dwaalgast in het oosten. In de Verenigde Arabische Emiraten zeldzaam maar regelmatig, vooral van Dubai noordwaarts, sinds het eerste geval in Ruwais in december 1996; in Oman een handvol gevallen; in Qatar minstens zes vogels in Al Shamal Park in de winter 2014–2015; in Bahrein één gevangen vogel in Alba Marsh in januari 2012; in Koeweit een zeldzame, onregelmatige wintergast (Jahra, Al Abraq, Sulaibiya, maximaal drie vogels in februari 2009); in Saoedi-Arabië het eerste geval bij Salwa in december 2022. In Israël een zeldzame doortrekker en wintergast, vooral in het oosten van het land, van eind oktober tot maart of begin april. Elders in het gebied geen zekere gevallen. Daarbuiten broedt de soort in Noord-Amerika en Noordoost-Siberië; de Aziatische vogels overwinteren van Japan en Oost-China tot Noord-India en Pakistan.

Hoe en wanneer kijken

Zoek van december tot februari tussen de waterpiepers op pivotvelden, grasvelden en bij waterzuiveringen in de Emiraten, Qatar of Koeweit, of in de Bet She'anvallei en de Arava in Israël. Luister naar een dun, dubbel tsip-it tussen de volle roepen van de waterpiepers, en controleer elke zwaar gestreepte pieper op de pootkleur.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en met een zeer groot areaal. In het gebied een zeldzame wintergast aan de uiterste westrand van het winterareaal; het toenemende aantal gevallen in de Golfstaten weerspiegelt waarschijnlijk vooral de grotere aandacht van vogelaars voor piepers op pivotvelden.

Wetenschappelijke naam

Anthus rubescens | (Tunstall, 1771)

Tunstall beschreef de soort in 1771 als Alauda Rubescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. rubescens is Latijn voor 'roodachtig', van ruber 'rood'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.