Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Pijlstaartgierzwaluw

Pijlstaartgierzwaluw | Apus caffer

White-Rumped Swift | Vencejo cafre

Een slanke Afrikaanse gierzwaluw met een smalle witte sikkel op de stuit, die sinds het eind van de jaren zestig in kleine aantallen in Marokko broedt. Hij bouwt zelf geen nest maar neemt de flessenvormige modderkommen van roodstuitzwaluwen over, vaak onder bruggen en overhangende rotsen.

Pijlstaartgierzwaluw (Apus caffer)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Weinig luidruchtig. Een laag, keelig trillertje, tsirrr, dat aan een vleermuis doet denken, vooral bij het nest te horen.

Luister: VluchtroepXC253107

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Iets kleiner dan de gierzwaluw en door het smalle lijf en de dunne vleugels veel spitser. Zwartbruin met lichte glans, met een kleine, scherp begrensde witte keelvlek en een smalle witte band over de stuit die niet op de flanken doorloopt. Lange, diep gevorkte staart die in de vlucht meestal gesloten tot één punt wordt gedragen; de vork is alleen bij het draaien te zien. Vliegt snel met korte bochten, vaak alleen of in paren tussen andere gierzwaluwen.

Verwarrings­soorten

De huisgierzwaluw (Apus affinis) is gedrongener, met een brede vierkante witte stuit die ver op de flanken doorloopt, een grotere witte keel en een recht afgeknotte staart. De gierzwaluw (Apus apus) en de vale gierzwaluw (Apus pallidus) zijn groter, zonder witte stuit en met een korte staartvork. De huiszwaluw (Delichon urbicum) heeft eveneens een witte stuit, maar een witte onderzijde en brede, korte vleugels.

Leefgebied

Rotsige rivierdalen, kloven en heuvelland met bruggen, duikers en overhangende rotsen waar roodstuitzwaluwen broeden; jaagt boven dalen, akkers en open water, vaak samen met andere gierzwaluwen en zwaluwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: een schaarse en zeer lokale broedvogel, sinds het eind van de jaren zestig vastgesteld, met kleine aantallen in de Midden- en Hoge Atlas en het aangrenzende heuvelland, aankomend eind april of in mei en vertrekkend in oktober. Tunesië: de laatste jaren een vrij regelmatige najaarsgast, maar een broedgeval is ondanks gericht zoeken nog niet vastgesteld. Algerije: in augustus 2026 werden voor het eerst twee vogels gezien, in het noordoosten van het land. Uit Libië, Egypte, de Levant en Arabië zijn geen aanvaarde waarnemingen bekend. Daarbuiten broedt hij in zuidwest-Iberië (sinds 1966), sinds kort ook in Calabrië en op Corsica, en wijdverbreid in Afrika ten zuiden van de Sahara; de Iberische en Marokkaanse vogels overwinteren in West-Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in juni en juli in de Midden- en Hoge Atlas bij bruggen over een rivier waar roodstuitzwaluwen broeden en kijk naar vogels die in de flessennesten verdwijnen. Op trek of in het najaar in Tunesië zit hij tussen groepen gierzwaluwen en zwaluwen: let op een kleine, zwarte gierzwaluw met een spitse staart en een dun wit sikkeltje.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en algemeen in Afrika. In het gidsgebied is de populatie klein en afhankelijk van de nesten van roodstuitzwaluwen, maar de soort breidt zich aan de noordrand van zijn areaal langzaam uit.

Wetenschappelijke naam

Apus caffer | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Cypselus Caffer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apus werd in 1777 ingevoerd door Scopoli. Apus is Latijn voor 'gierzwaluw', van Grieks a- 'zonder' en pous 'voet': de ouden hielden de vogel voor een zwaluw zonder poten. caffer is modern Latijn voor 'uit Zuid-Afrika', naar de Kaapstreek waar het typeexemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de oostelijke Kaapprovincie.