Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Alpengierzwaluw

Alpengierzwaluw | Tachymarptis melba

Alpine Swift | Vencejo real

De grootste gierzwaluw van het gebied, een krachtige vlieger met een witte buik die als een kleine valk langs kliffen en kloven raast. Hij broedt in de bergen van de Maghreb, de Levant en Zuidwest-Arabië, en trekt in het voor- en najaar in groepen over de hele regio.

Alpengierzwaluw (Tachymarptis melba)
Foto: Afsarnayakkan — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, snel en golvend trillertje dat aan- en afzwelt, tititititi-ti-ti-ti-ti, vaak door een hele groep tegelijk rond de kolonie. Klinkt melodieuzer dan de schreeuw van de gierzwaluw.

Luister: VluchtroepXC1161372

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en zwaar gebouwd, met lange, brede sikkelvleugels en een korte, ondiep gevorkte staart. De bovendelen en de onderzijde van de vleugels zijn zandbruin tot grijsbruin; de buik en de keel zijn wit, gescheiden door een donkere borstband, zodat van onderen een witte vlek midden op het lijf opvalt. De vleugelslag is trager en krachtiger dan bij kleinere gierzwaluwen, met lange glijvluchten en hoge snelheid langs rotswanden. De Arabische en Dode Zee-vogels (archeri) zijn kleiner en bleker dan de noordelijke.

Verwarrings­soorten

Door zijn grootte en witte buik nauwelijks te verwarren. De vale gierzwaluw (Apus pallidus) en de gierzwaluw (Apus apus) zijn veel kleiner, zonder witte buik en met een lichte keel. Valken zoals de boomvalk (Falco subbuteo) hebben een andere vleugelslag, een langere staart en een gestreepte onderzijde. De oeverzwaluw (Riparia riparia) heeft eveneens een witte buik met borstband, maar is veel kleiner en fladdert.

Leefgebied

Steile rotswanden, kloven en kustkliffen, van zeeniveau tot hoog in de Atlas; in de Levant en Noord-Afrika ook hoge gebouwen, oude stadsmuren en bruggen. Jaagt vaak ver van de kolonie, hoog boven dalen, plateaus en kustvlakten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: verspreid broedvogel van de Rif, de Midden- en Hoge Atlas, de Anti-Atlas en de Atlantische kustkliffen. Algerije: in de Tell-Atlas, de Aurès en de bergen van de Sahara-Atlas. Tunesië: lokaal in het noorden en de Dorsale. Libië: schaars, vooral in de Jebel Akhdar in Cyrenaica. Egypte: broedvogel in de bergen van de Sinaï, verder doortrekker langs de Nijl en de Rode Zee. In de Levant broedt hij in Israël, Samaria en Judea, Jordanië, Libanon en Syrië, met een kleine standpopulatie in de kliffen rond de Dode Zee en de Jordaanvallei. Irak: broedvogel in het Koerdische bergland in het noorden. Saoedi-Arabië en Jemen: standvogel in de bergen van de Hejaz, de Asir en het Jemenitische hoogland. Oman: lokaal in de Hajar en Dhofar; in de Golfstaten en Koeweit een schaarse doortrekker. De noordelijke vogels overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara. Daarbuiten van Zuid-Europa tot Centraal-Azië en India, en in Oost- en zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Aan de kliffen van Ein Gedi en de canyons rond de Dode Zee zie je ze het hele jaar; in de Hoge Atlas zijn de Todra- en Dades-kloven goede plekken. Op trek in maart en april trekken groepen soms laag over Eilat en de Sinaï, vooral bij zuidelijke wind en bewolking.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en stabiel. In stedelijke kolonies kunnen renovaties van oude gebouwen nestplaatsen kosten; elders zijn kliffen weinig verstoord.

Wetenschappelijke naam

Tachymarptis melba | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo Melba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachymarptis werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Tachymarptis is Grieks, van takhus 'snel' en marptis 'grijper', naar de vogel die zijn prooi in snelle vlucht uit de lucht pakt. melba is van onzekere herkomst; mogelijk een verkorting van melanoalba, van het Griekse melas 'zwart' en het Latijnse albus 'wit', naar het bruin met wit getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.