Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Purperreiger
Purperreiger | Ardea purpurea
Purple Heron | Garza imperial
Een slanke, donkere reiger van dichte rietmoerassen, slangachtiger van hals en schuwer dan de blauwe reiger. In het gidsgebied broedt hij in de grote moerassen van de Maghreb, de Nijldelta, de Levant en vooral Zuid-Irak; op trek steekt hij de Sahara en Arabië breed over.
Geluid
Minder luidruchtig dan de blauwe reiger; een hees, hoger en dunner kraak of krèk bij opvliegen. In de kolonie gerochel en geklepper.
Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Kleiner, slanker en donkerder dan de blauwe reiger, met een dunne, slangachtige hals en een lange, smalle snavel. Volwassen vogels hebben een roestbruine kop en hals met een zwarte kruin en een zwarte streep langs de halszijde, een donkergrijze rug met lange kastanjebruine mantelveren en een donkere, kastanjebruine buik. Jonge vogels zijn egaler zandbruin, zonder zwarte halsstrepen. In vlucht donker, met een opvallend uitzakkende hals (een "buidel" onder de ingetrokken hals) en grote, uitstekende voeten met lange tenen.
Verwarringssoorten
De blauwe reiger (Ardea cinerea) is groter en grijzer, met een witte hals en een zwaardere snavel; jonge blauwe reigers zijn grijs, niet bruin. Jonge purperreigers kunnen op een roerdomp (Botaurus stellaris) lijken, maar die is gedrongener en dicht gevlekt. De goliathreiger (Ardea goliath) heeft een vergelijkbaar kleurpatroon, maar is enorm, met een zware snavel en zonder zwarte kruin. De zwartkopreiger (Ardea melanocephala) heeft een zwarte kop en hals en geen roestbruin.
Leefgebied
Uitgestrekte, dichte rietmoerassen en lisdoddevelden met ondiep water, overwoekerde kanalen en de rietranden van meren; op trek ook in rijstvelden, langs irrigatiekanalen en bij oases. Jaagt geduldig vanuit dekking op vis, kikkers en grote insecten. Broedt in losse kolonies in het riet, minder vaak in struiken of bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko (Merja Zerga, Bas Loukkos en de Moulouya), in Noordoost-Algerije (El Kala, Lac Tonga) en plaatselijk in Tunesië. In Egypte schaars als broedvogel op de deltameren en langs de Nijl, met enkele overwinteraars. In het oosten broedt hij in Israël (Hula-vallei), Syrië en vooral in de moerassen van Zuid-Irak, waar een belangrijke populatie leeft. Op trek door het hele gebied: over de Sahara en door Libië, door de Jordaanvallei en langs Eilat, en verspreid over Saoedi-Arabië, Koeweit, de Golfstaten, Oman en Jemen, waar hij in kleine aantallen ook aan de Rode Zeekust overwintert. Daarbuiten broedt hij van Zuid- en Midden-Europa tot Centraal-Azië en in Zuid- en Oost-Azië, en in Afrika ten zuiden van de Sahara; de Palearctische vogels overwinteren in tropisch Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans op een broedende purperreiger is in mei en juni in de Hula-vallei of bij Merja Zerga, vooral in de vroege ochtend als de vogels over het riet vliegen. Op trek, in april en september, rusten ze soms bij waterzuiveringen en oases in de Arava en de Negev, en bij de vijvers van Eilat.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa en Noord-Afrika afgenomen door het verdwijnen van rietmoerassen en door droogte in de Sahel, waar de Palearctische vogels overwinteren. In Irak trof de drooglegging van de moerassen in de jaren negentig de populatie zwaar; na het opnieuw onder water zetten is hij gedeeltelijk teruggekeerd.
Wetenschappelijke naam
Ardea purpurea | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. purpurea is Latijn voor 'purperkleurig', naar het roodbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.

