Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Ringsnavelmeeuw

Ringsnavelmeeuw | Larus delawarensis

Ring-Billed Gull | Gaviota de Delaware

Een middelgrote Noord-Amerikaanse meeuw die over de Atlantische Oceaan naar Europa en Noordwest-Afrika komt. In het gidsgebied is hij vrijwel tot Marokko beperkt, waar hij sinds 1982 zo vaak is gezien dat een winterse speurtocht door de meeuwengroepen aan de Atlantische kust kans van slagen heeft.

Ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis)
Foto: RoySmith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter zelden te horen; een hoog, wat schor kjow en een kort kek-kek, hoger en schriller dan bij de zilvermeeuw.

Luister: RoepXC1103911

Opname: Tom Cooney — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Iets groter en forser dan de stormmeeuw, met een lichtgrijze mantel die bleker is dan bij die soort. Volwassen vogels hebben een geel oog, gele poten en een gele snavel met een scherpe, volledige zwarte ring vlak achter de punt; in de winter is de kop fijn bruin gestippeld. De vleugelpunt is zwart met kleine witte spiegels. Tweedejaars vogels hebben al een grijze mantel maar nog bruinige vleugeldekveren, een roze snavel met zwarte punt, een smalle, rommelige zwarte eindband op de staart en vaak een bleek oog; eerstejaars zijn grijsbruin geschubd met een witte staartbasis en een onregelmatige donkere band.

Verwarrings­soorten

De stormmeeuw (Larus canus) is de lastigste verwisseling: kleiner en ronder van kop, met een donkerder grijze mantel, een donker oog, een dunnere snavel zonder scherpe ring en grotere witte spiegels in de vleugelpunt. Geelpootmeeuw (Larus michahellis) en zilvermeeuw (Larus argentatus) zijn veel groter, met een rode snavelvlek; jonge vogels van die soorten hebben een donkerder, grover getekend kleed. Ook een volwassen Audouins meeuw (Ichthyaetus audouinii) heeft een donkere band om de snavel, maar die is dieprood met een zwarte band en de poten zijn grijsgroen.

Leefgebied

In het gidsgebied aan stranden, riviermondingen, lagunes, havens en visverwerkingsplaatsen, meestal tussen andere meeuwen; soms aan zoetwaterplassen dicht bij de kust. In Noord-Amerika broedt hij op eilanden in binnenmeren en overwintert hij aan kusten, rivieren en op parkeerplaatsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko werd hij in 1982 voor het eerst vastgesteld en tot rond 2011 zijn er ongeveer veertig gevallen gedocumenteerd, vrijwel allemaal in de winter aan de Atlantische kust tussen Rabat en het zuiden, onder meer bij Agadir en Plage Blanche, en enkele aan de Middellandse Zeekust (onder meer bij Melilla). Uit de rest van het gidsgebied zijn hooguit losse gevallen bekend. Daarbuiten broedt hij in Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert hij tot Mexico en het Caribisch gebied; jaarlijks dwalen vogels naar West-Europa, de Azoren en de Canarische Eilanden, sporadisch tot West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek tussen november en maart in de grote meeuwengroepen aan de riviermondingen en bij de vishavens van de Marokkaanse Atlantische kust, zoals bij Agadir, en let op een vogel van stormmeeuwformaat met een blekere mantel, een licht oog en een zware snavel met een scherpe zwarte ring. Vaak blijft een vogel weken op dezelfde plek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Noord-Amerika sterk toegenomen. In het gidsgebied een zeldzame wintergast, die in Marokko vrijwel elke winter wordt waargenomen.

Wetenschappelijke naam

Larus delawarensis | Ord, 1815

Ord beschreef de soort in 1815 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. delawarensis verwijst naar de Delaware, de rivier in het oosten van Noord-Amerika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Delaware bij Philadelphia.