Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Grote burgemeester

Grote burgemeester | Larus hyperboreus

Glaucous Gull | Gavión hiperbóreo

Een massieve, bleke meeuw van de arctische kusten, groter en zwaarder dan een zilvermeeuw en zonder een spoor van zwart in de vleugel. In het gidsgebied is hij een zeldzame gast die vrijwel alleen aan de Atlantische kust van Marokko en de Westelijke Sahara opduikt, waar enkele vogels maanden- tot jarenlang in dezelfde haven bleven hangen.

Grote burgemeester (Larus hyperboreus)
Foto: Sowls, Art — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Lager, schorder en trager dan de zilvermeeuw, een grommend gaah-gaah; vogels in het gebied zijn vrijwel altijd stil.

Luister: VluchtroepXC1173210

Opname: Mats Rellmar — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Adulte vogels hebben een zeer lichtgrijze mantel en geheel witte handpennen; de snavel is zwaar en geel met een rode gonysvlek, het oog bleekgeel, de poten roze. In de winter is de kop bruinig gevlekt. Eerstejaars vogels zijn gelijkmatig zandbeige tot koffie-met-melkkleurig, fijn gebandeerd, met roomwitte handpennen en een roze snavel met een scherp afgesneden zwarte punt, een kenmerk dat op afstand al opvalt. Tweedejaars zijn bleker, bijna wit. De bouw is zwaar: diepe borst, dikke nek, platte kruin en korte vleugelprojectie voorbij de staart.

Verwarrings­soorten

De kleine burgemeester (Larus glaucoides) heeft ook witte handpennen, maar is kleiner en tengerder, met een ronde kop, een kort snaveltje en vleugelpunten die ver voorbij de staart steken; bij eerstejaars is de snavel grotendeels donker in plaats van roze met een scherpe zwarte punt. Bleke of sleetse zilvermeeuwen (Larus argentatus), geelpootmeeuwen (Larus michahellis) en pontische meeuwen (Larus cachinnans) kunnen in het voorjaar door slijtage witte vleugelpunten lijken te hebben; kijk naar de schachten en de onderkant van de handpennen, die bij hen donker blijven. Leucistische meeuwen en hybriden zijn een bekende valkuil.

Leefgebied

Havens, visafslagen, riviermondingen en lagunes langs de kust, waar hij tussen andere grote meeuwen visafval eet en op zandbanken rust. In het gidsgebied zelden ver van zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko een zeldzame maar inmiddels bekende gast langs de Atlantische kust: onder meer bij Larache (zoutpannen van Lixus en het Loukkos-moeras, 1980 en een overblijver in 2010–2013), Oualidia, Essaouira, waar een vogel van december 2014 tot in september 2016 in de haven verbleef, en de lagune van Khnifiss, waar in januari 2015 twee vogels samen werden gezien. In de Westelijke Sahara is hij gemeld op het schiereiland van Dakhla (april 2015 en maart 2022). In Israël is hij uiterst zeldzaam (onder meer een melding in de baai van Haifa in 2025), en uit Jordanië bestaat alleen een oud, onzeker balgexemplaar van Aqaba (1914). Uit de rest van het gebied zijn geen zekere gevallen bekend. Daarbuiten broedt hij rond de Noordpool, van IJsland en Spitsbergen tot Siberië, Alaska en Groenland, en overwintert hij in de Noord-Atlantische en Noord-Pacifische Oceaan, in klein aantal tot West- en Zuid-Europa.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de winter tussen de grote meeuwen in de vissershavens van Essaouira en Larache en in de lagune van Khnifiss: een bleke, forse vogel zonder zwarte vleugelpunten springt er direct uit. Bekende overblijvers in Marokko worden op de site van GO-South gemeld.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een zeldzame gast, in Marokko sinds 1980 meermaals gezien en vooral sinds 2010 met enige regelmaat; buiten Marokko en de Westelijke Sahara uiterst zeldzaam.

Wetenschappelijke naam

Larus hyperboreus | Gunnerus, 1767

Gunnerus beschreef de soort in 1767 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. hyperboreus is Latijn voor 'noordelijk', naar de Griekse Hyperboreoi, het volk dat in het uiterste noorden zou wonen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Noorwegen.