Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Grote mantelmeeuw

Grote mantelmeeuw | Larus marinus

Great Black-Backed Gull | Gavión atlántico

De grootste meeuw ter wereld, een noordelijke soort van de Noord-Atlantische kusten. Verrassend genoeg broedt een klein, geïsoleerd groepje ver naar het zuiden in de lagune van Khnifiss in Zuid-Marokko, de enige plek ter wereld waar hij samen met de kelpmeeuw voorkomt; verder is hij in het gidsgebied een schaarse wintergast.

Grote mantelmeeuw (Larus marinus)
Foto: Irish Wildlife Trust Dublin Branch — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, schor en kort ow-ow-ow en een lage, blaffende lachroep, duidelijk lager dan bij andere grote meeuwen.

Luister: RoepXC1059502

Opname: Corentin Rivière — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Zeer groot en zwaar, met een brede borst, een grote kop en een massieve gele snavel met een rode gonysvlek. De mantel en vleugels zijn zwartachtig leigrijs, de poten vleeskleurig roze, het oog licht. In de vleugelpunt zit veel wit: een grote witte spiegel op p10 die vaak samenvloeit met de witte punt, en een spiegel op p9. In vlucht oogt hij log, met brede vleugels en trage slagen. Eerstejaars zijn grof zwart-wit geblokt op de bovendelen, met een bleke, witachtige kop en onderdelen, een zwarte snavel en een smalle, gebroken staartband; ze zijn pas na vier jaar volwassen.

Verwarrings­soorten

De kelpmeeuw (Larus dominicanus) is kleiner, met olijfgroene poten, een donker oog en slechts één kleine spiegel in de vleugelpunt. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) is veel kleiner en slanker, met gele poten, een slankere snavel, langere vleugelpunten en weinig wit daarin. Jonge vogels kunnen op jonge geelpootmeeuwen (Larus michahellis) lijken, maar zijn groter, met een bleker hoofd, een zwaardere snavel en een contrastrijker geblokte bovenkant.

Leefgebied

Rotskusten, lagunes, zandstranden, riviermondingen en vissershavens. Bij Khnifiss broedt hij op eilandjes en zandbanken in de lagune.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een kleine broedpopulatie van enkele paren is gevestigd in de lagune van Khnifiss in Zuid-Marokko; in die omgeving en elders langs de zuidelijke Atlantische kust (Akhfenir, Tarfaya, Dakhla) is hij het jaarrond in kleine aantallen te zien. Verder in Marokko een schaarse wintergast, met elk jaar enkele vogels langs de Atlantische kust van Salé tot Agadir en aan de Middellandse Zeekust bij Martil en Ceuta. In Algerije en Tunesië zeer zeldzaam, en in het oosten van het gidsgebied slechts uitzonderlijk gemeld. Daarbuiten broedt hij langs de kusten van de Noord-Atlantische Oceaan, van Noordwest-Frankrijk en de Britse Eilanden via Scandinavië en IJsland tot Groenland en Oost-Canada, en overwintert hij vooral in die streken, zuidwaarts tot Spanje.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De lagune van Khnifiss, bereikbaar vanaf Akhfenir, is de enige plaats in het gebied waar je de soort met zekerheid ziet, vaak tussen kleine mantelmeeuwen en soms naast een kelpmeeuw: een uniek vergelijkingsmoment.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van Noordwest-Europa afgenomen. De piepkleine Marokkaanse broedpopulatie is kwetsbaar voor verstoring in de lagune van Khnifiss, die als nationaal park beschermd is.

Wetenschappelijke naam

Larus marinus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus voerde hij in datzelfde werk in. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. marinus is Latijn voor 'van de zee'; de naam als geheel betekent 'zeemeeuw'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gotland in Zweden.