Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Rode woestijnvink

Rode woestijnvink | Rhodopechys sanguineus

Crimson-Winged Finch | Camachuelo alirrojo asiático

De rode woestijnvink is een forse, zwaarsnavelige vink van het kale hooggebergte, die in het gidsgebied alleen in het oosten leeft, in de bergen van Libanon, de Hermon en Koerdistan. De vogels van de Atlas worden nu als aparte soort behandeld, de Atlaswoestijnvink (Rhodopechys alienus).

Rode woestijnvink (Rhodopechys sanguineus)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, rollend dvuu-ie of een kort tsjie-rup, in vlucht vaak een tjilpend tsjip. De zang is een korte, melodieuze, wat kabbelende strofe, die aan de zang van een kuifleeuwerik of een kneu doet denken, gezongen vanaf een rotsblok.

Luister: ZangXC972045

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Gedrongen, met een grote kop, een zware, gele tot hoornkleurige kegelsnavel en een korte, licht gevorkte staart. Het kleed is zandkleurig bruin met vage streping op de rug. Het mannetje heeft een zwartbruine kruin, een roze waas op wang en borst, een rozerode stuit en een opvallend rozerood vleugelpaneel op de grote dekveren en de randen van de handpennen; de buitenste staartpennen zijn wit omzoomd. Het vrouwtje is valer met minder roze.

Verwarrings­soorten

De Atlaswoestijnvink (Rhodopechys alienus) komt alleen in de Atlas voor; het mannetje mist de zwarte kruin, heeft een grijzere kop en hals, minder roze op de borst en geen roze bovenstaartdekveren. De woestijnvink (Bucanetes githagineus) is veel kleiner en bolronder, met een grijze kop en een korte koraalrode snavel, en heeft alleen een roze waas, geen helder vleugelpaneel. De vale woestijnvink (Rhodospiza obsoleta) heeft ook roze in de vleugel, maar een zwarte snavel, een zwart-witte vleugel en geen donkere kruin. De kneu (Linaria cannabina) is veel slanker en heeft witte vlekken in vleugel en staart. De appelvink (Coccothraustes coccothraustes) heeft een witte vleugelband en een witte staarteindband.

Leefgebied

Kale, stenige hellingen, alpiene graslanden en rotsige plateaus boven de boomgrens, met kussenplanten en verspreid struikgewas, in de Levant boven ongeveer 1500 m. Foerageert op de grond op zaden; zoekt dagelijks water op. In de winter trekt hij naar lagere hellingen, dalen en akkers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied het Libanongebergte en de Anti-Libanon (Libanon en Syrië), de Hermon (Israël en Syrië) en de bergen van Koerdistan in het noorden van Irak; de vogels van de Atlas zijn Atlaswoestijnvinken (Rhodopechys alienus). Buiten het gebied in Turkije, de Kaukasus, Iran en verder oostwaarts tot Centraal-Azië en Afghanistan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Israël op de hoogste hellingen van de Hermon, vooral in mei en juni. De bekende vogels van Oukaïmeden in de Hoge Atlas zijn Atlaswoestijnvinken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De populaties in het gebied zijn klein en versnipperd en daarmee kwetsbaar voor overbegrazing en klimaatverandering in het hooggebergte; in de Levant verkleint militair en toeristisch gebruik van de Hermon het leefgebied plaatselijk.

Wetenschappelijke naam

Rhodopechys sanguineus | (Gould, 1838)

Gould beschreef de soort in 1838 als Fringilla sanguinea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhodopechys werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Rhodopechys is Grieks, van rhodon 'roos' en pēkhus 'onderarm', samen rhodopēkhus 'rozearmig', naar het roze in de vleugel. sanguineus is Latijn voor 'bloedrood', van sanguis, sanguinis 'bloed'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Erzurum in Turkije.