Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodborsttapuit

Roodborsttapuit | Saxicola rubicola

European Stonechat | Tarabilla europea

De roodborsttapuit is in de Maghreb een algemene standvogel van maquis, brem en ruige akkerranden, en in de rest van het gebied een gewone wintergast uit Europa en Turkije. Hij zit vrijwel altijd boven op een struik, stengel of draad, schokt met vleugels en staart en laat zijn harde roep horen.

Roodborsttapuit (Saxicola rubicola)
Foto: derivative work: Myosotis Scorpioides — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hard wiet-tsjek-tsjek, als twee kiezelstenen die tegen elkaar slaan. De zang is een korte, krassende strofe van piepende en fluitende tonen, vaak vanaf de top van een struik of in een korte zangvlucht.

Luister: RoepXC1153625

Opname: Louis-Marie Gourmelon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11,5–13 cm. Klein, gedrongen en kortstaartig, met een ronde kop. Het mannetje heeft een zwarte kop en keel, een witte halsvlek, een donkerbruine rug, een smalle witte vleugelvlek en een diep oranje borst die doorloopt over de flanken; de stuit is donker of heeft een kleine, gestreepte witte vlek. Het vrouwtje is bruiner, met een donkerbruine, licht gestreepte kop, een vage lichte halsvlek en een oranjebruine borst. In de winter dekken bruine veerzomen het zwart van het mannetje deels af. Jongen zijn gevlekt.

Verwarrings­soorten

De Aziatische roodborsttapuit (Saxicola maurus) is bleker, met een grote, ongestreepte bleke stuit, zwarte okselveren en minder oranje op de onderzijde; in het oosten van het gebied overlappen ze in de winter. De Afrikaanse roodborsttapuit (Saxicola torquatus) in het hoogland van Zuidwest-Arabië heeft een kleinere, diep kastanjebruine borstvlek en een witte buik. Het paapje (Saxicola rubetra) heeft een brede lichte wenkbrauwstreep, een gestreepte stuit en witte vlekken aan de staartbasis.

Leefgebied

Maquis, garrigue, brem- en dwergpalmstruweel, ruige graslanden, akkerranden, wegbermen en braakland, van de kust tot hoog in de Atlas. In de winter ook in akkers, irrigatiegebied, rietkragen, parken en struweel aan de rand van halfwoestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië, van de Atlantische laagvlakte en het Rifgebergte tot de Midden- en Hoge Atlas en de Tell, en spaarzaam in Noordwest-Libië; daarnaast in kleine aantallen in Libanon en Syrië. In de winter, van oktober tot maart, verspreiden vogels uit Europa en Turkije zich over de hele Maghreb tot de noordrand van de Sahara, de kust van Libië, de Nijldelta, de Nijlvallei en de Sinaï, en over Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak. Verder in Arabië is hij een gewone wintergast in Koeweit, Noord- en Oost-Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar en de Emiraten, en schaarser in Oman. Daarbuiten broedt de soort in West- en Zuid-Europa, Turkije en de Kaukasus.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko zit hij in maquis en dwergpalmstruweel overal langs de wegen, bijvoorbeeld tussen Rabat en Larache. In de winter is hij in Israël en Egypte een vaste gast op akkers en braakland; zoek in de Emiraten en Oman tussen de roodborsttapuiten ook naar een Aziatische roodborsttapuit.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb algemeen, al gaat hij plaatselijk achteruit door intensivering van de landbouw en het verdwijnen van ruige randen; strenge winters in Europa kunnen het aantal wintergasten tijdelijk doen dalen.

Wetenschappelijke naam

Saxicola rubicola | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Motacilla] Rubicola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Saxicola werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Saxicola is Latijn, van saxum 'steen, rots' en -cola 'bewoner', bij colere 'bewonen': 'rotsbewoner', naar de open steenachtige terreinen waar deze vogels zich ophouden. rubicola is Latijn, van rubus 'braamstruik' en incola 'bewoner': 'bewoner van het braamstruweel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Seine-Maritime in Normandië.