Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Tapuit

Tapuit | Oenanthe oenanthe

Northern Wheatear | Collalba gris

De tapuit is de meest verbreide tapuit ter wereld en in het gidsgebied vooral een doortrekker: in het voorjaar en najaar trekt hij in grote aantallen door de woestijnen, oases en kustvlakten. Daarnaast broedt hij hoog in de bergen van Libanon en Syrië; de broedvogels van de Atlas worden nu als aparte soort behandeld, Seebohms tapuit.

Tapuit (Oenanthe oenanthe)
Foto: Alexis Lours — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, haastige strofe van krassende, piepende en fluitende tonen, vaak met nabootsingen, vanaf een steen of in een korte zangvlucht. De roep is een hard tsak of tak-tak, vaak met een dun hwiet ervoor.

Luister: VluchtroepXC1168556

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14,5–15,5 cm. Slank, rechtop, met een korte staart; wipt en knikt voortdurend. Het staartpatroon is het belangrijkste kenmerk: een brede witte stuit en staartbasis met een zwarte omgekeerde T van eindband en middenveren; de eindband is smal tot matig breed. Het mannetje in zomerkleed is blauwgrijs van boven, met een zwart masker, een witte wenkbrauwstreep, zwarte vleugels en een oranjebeige borst. Vrouwtjes en najaarsvogels zijn zandbruin met een bleke wenkbrauw en bruine vleugels met lichte zomen. De vorm libanotica van de Levant is bleker van boven.

Verwarrings­soorten

De izabeltapuit (Oenanthe isabellina) is forser, langerpotig en egaal zandkleurig, met een bleke vleugel, een donker alula-veertje en een bredere zwarte eindband. Vrouwtjes van de bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) en de westelijke blonde tapuit (Oenanthe hispanica) hebben meer wit langs de staartzijden en een smallere, vaak onregelmatige eindband. Seebohms tapuit (Oenanthe seebohmi), de broedvogel van de Atlas, heeft als mannetje een zwart gezicht en een zwarte keel die met het masker samenvloeien, en zwarte ondervleugeldekveren; vrouwtjes zijn zonder goed zicht op keel en ondervleugel vaak niet te onderscheiden. De woestijntapuit (Oenanthe deserti) heeft een vrijwel geheel zwarte staart met alleen een witte basis.

Leefgebied

Broedt op open, stenige berghellingen, alpiene graslanden en hoogvlakten met rotsblokken. Op de trek in elk open terrein: steenwoestijn, steppe, akkers, kustvlakten, sportvelden en oases.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in de hogere bergen van Libanon, Syrië (Anti-Libanon, Hermon) en het noorden van Irak; de broedvogels van de Atlas zijn Seebohms tapuit (Oenanthe seebohmi). Talrijke doortrekker door het hele gebied, van Marokko en de Sahara tot Egypte, de Levant, Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, de Verenigde Arabische Emiraten en de Golfstaten; in het voorjaar opvallend in de Sinaï, de Negev en Eilat. Een enkele vogel overwintert in het zuiden van Arabië. Daarbuiten broedt de soort van Europa en Siberië tot Alaska, Canada en Groenland; alle populaties overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In maart en april in elke woestijnvallei van Marokko tot Oman: de grijze mannetjes vallen tussen de andere tapuiten het eerst op. De zwartkelige broedvogels van de Hoge Atlas, bijvoorbeeld bij Oukaïmeden, zijn Seebohms tapuiten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Europa achteruitgegaan door verlies van schrale graslanden; over de broedvogels in de Levant is weinig bekend, maar ze lijken stabiel.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe oenanthe | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla oenanthe; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.