Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Roodkopklauwier

Roodkopklauwier | Lanius senator

Woodchat Shrike | Alcaudón común

De roodkopklauwier is de bonte klauwier van de mediterrane olijfgaard en het struweel, met een kastanjebruine kop, een zwart masker en witte schoudervlekken. Hij broedt algemeen in de Maghreb en de Levant en is een van de eerste trekvogels die in maart vanuit de Sahel terugkeren.

Roodkopklauwier (Lanius senator)
Foto: Irvin calicut — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog tsjèk en een ratelend krrr bij onraad. De zang is een lang, gevarieerd en tamelijk muzikaal gekwetter met veel imitaties van andere vogels, vaak vanuit een boomtop.

Luister: ZangXC1161107

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–19 cm. Het mannetje heeft een kastanjebruine kruin en nek, een zwart voorhoofd en masker, een zwarte rug en vleugels met grote witte schoudervlekken en een witte handpenvlek, een witte stuit en een zwarte staart met witte zijkanten; de onderzijde is wit. Het vrouwtje is doffer, met een bleker roodbruine kop, een bruinzwarte rug en een wit vlekje aan de snavelbasis. De oostelijke vorm niloticus heeft een grotere witte handpenvlek en meer wit aan de staartbasis. Jonge vogels zijn grijsbruin en geschubd, met een lichte schoudervlek, een bleke stuit en een vage handpenvlek.

Verwarrings­soorten

De maskerklauwier (Lanius nubicus) heeft eveneens witte schoudervlekken, maar een zwarte kruin, een wit voorhoofd, oranje flanken en een langere staart zonder witte stuit. Jonge grauwe klauwieren (Lanius collurio) zijn warmer bruin, missen de lichte schoudervlek en de bleke stuit. De zwartkruintsjagra (Tchagra senegalus) heeft een zwarte kruin, een roestrode vleugel en leeft verscholen in struweel.

Leefgebied

Warm, halfopen landschap met verspreide bomen en struiken: olijfgaarden, oude boomgaarden, open eikenbos, maquis, arganbos, heggen en struweel langs akkers en wegen, ook in steppe met verspreide bomen. Op de trek in oases, tuinen, wadi's met acacia's en open terrein met struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko in het noorden, de Atlantische laagvlakte, de Souss en de Atlas, in Noord-Algerije en Tunesië tot de noordrand van de Sahara, en in Noordwest-Libië en Cyrenaica. In het oosten broedt de vorm niloticus in Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Noord-Irak. Op de trek door het hele gebied: van maart tot mei talrijk in de oases van de Sahara, in Egypte en de Sinaï, en in de Levant; niloticus trekt door West- en Zuid-Arabië en Jemen naar Oost-Afrika, schaarser door de Golfstaten en Oman. Daarbuiten broedt hij in Zuid-Europa, Turkije en Iran en overwintert hij in de Sahel en de savannes van West- tot Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april en mei is hij in Marokko gemakkelijk te zien in de olijfgaarden en het arganbos rond Taroudant en in de Middel-Atlas, vaak vrij op een draad of struiktop. In Israël zijn de olijfgaarden van Galilea en de Golan goede broedplekken; in de vroege lente vullen doortrekkers de tuinen van Eilat.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort is in grote delen van Europa en Noord-Afrika achteruitgegaan door landbouwintensivering, het kappen van oude boomgaarden en heggen, het verlies van grote insecten door pesticiden en droogte in het winterkwartier in de Sahel. Op de trek komt vangst voor.

Wetenschappelijke naam

Lanius senator | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius voerde hij in datzelfde werk in. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. senator is Latijn voor 'senator'; de naam wordt betrokken op de roestrode kruin, vergeleken met het purper van Romeinse senatoren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Rijn.