Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Rouwtapuit
Rouwtapuit | Oenanthe lugens
Mourning Wheatear | Collalba núbica
De rouwtapuit is een kleine, contrastrijke zwart-witte tapuit van rotsige kloven en wadi's, die van de noordrand van de Sahara in de Maghreb tot de Levant en Irak voorkomt. Hij leeft in lage dichtheden, is zeer honkvast en verraadt zich door het warme oranjebeige onder de staart, een zacht kleuraccent onder een verder streng zwart-witte vogel.
Geluid
De zang is een korte, weemoedige strofe van heldere fluittonen met wat droge, ratelende noten ertussen, gebracht vanaf een rotspunt of in een korte zangvlucht, het meest van januari tot mei. De roep is een hard tsjak en een dun hwiet; bij onraad een snelle reeks tikken.
Opname: Arjan Boonman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–15,5 cm. Klein en rechtop. Het mannetje heeft een zuiver witte kruin en nek; teugels, oorstreek, keel en bovenborst zijn zwart en lopen zonder onderbreking over in een zwarte mantel, schouders en vleugels. Onderdelen en stuit wit, de onderstaartdekveren oranjebeige tot roestbeige: het beste kenmerk. De staart is wit met zwarte middenveren en een zwarte eindband, de bekende omgekeerde T. In vlucht valt een bleke baan over de slagpennen op, vooral van onderen. Het vrouwtje lijkt bij de nominaat sterk op het mannetje, alleen wat doffer en bruiner zwart; bij de Noord-Afrikaanse vorm halophila is het vrouwtje grijsbruin met een lichtere keel, maar met hetzelfde oranjebeige onder de staart. In de basaltwoestijn van Noordoost-Jordanië en Zuid-Syrië leeft de vrijwel geheel zwarte vorm warriae (basalttapuit), met alleen wit op stuit en staart.
Verwarringssoorten
De bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) heeft een grijswitte, naar achter vervagende kruin, een zuiver witte onderstaart en een smallere eindband; hij is in het gebied alleen doortrekker. De monnikstapuit (Oenanthe monacha) is groter en langstaartiger, heeft een kap die tot op de mantel doorloopt, een zwarte borst en een vrijwel geheel witte staart. Finsch' tapuit (Oenanthe finschii) heeft een witte mantel en rug. De witkruintapuit (Oenanthe leucopyga) is groter en heeft een geheel zwarte buik. De Arabische tapuit (Oenanthe lugentoides) van het Zuidwest-Arabische hoogland heeft een donkere kruin. De basaltvorm lijkt op een zwarte tapuit (Oenanthe leucura), maar die komt alleen in de Maghreb voor.
Leefgebied
Rotsige kloven, steile wadi's, puinhellingen en de randen van hamada en steenwoestijn met wat struiken, vaak ook bij oude muren en ruïnes; de basaltvorm in zwarte lavavelden. Van laag land tot zo'n 1.500 m. Nestelt in rotsspleten en gaten in muren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika (vorm halophila) aan de noordrand van de Sahara: Oost-Marokko (van de Hoge Plateaus en Figuig tot de Tafilalt), de Sahara-Atlas en het noorden van de Algerijnse Sahara, Zuid-Tunesië, Tripolitanië en de Cyrenaica in Libië en de noordwestkust van Egypte. Verder de nominaat in de Oostelijke Woestijn van Egypte en de Sinaï, in Israël (Negev, Judese woestijn, Dode Zee), Jordanië, Syrië, het westen van Irak en het noordwesten van Saoedi-Arabië. Vogels van de Iraanse vorm persica overwinteren schaars in Irak, Koeweit en verder in het Golfgebied tot de Emiraten en Noord-Oman. Daarbuiten in Iran.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Israël goed te vinden in de kloven rond Mitzpe Ramon en Ein Gedi; in Marokko op de rotsige hamada's rond Erfoud en Figuig. Voor de basaltvorm moet je naar de lavavelden rond Azraq en Safawi in Noordoost-Jordanië. De paren zijn het hele jaar in hun territorium, dus een plek waar je ze ooit zag, blijft vaak jaren bezet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Overal in lage dichtheden en verspreid; plaatselijk gevoelig voor overbegrazing en verstoring van rotsterrein, maar er zijn geen aanwijzingen voor een sterke achteruitgang. Sommige handboeken behandelen de Noord-Afrikaanse vogels (halophila) en de basaltvorm (warriae) als aparte soorten; deze gids volgt AviList en rekent ze tot de rouwtapuit.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe lugens | (Lichtenstein, 1823)
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Saxicola lugens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. lugens, genitief lugentis, is Latijn voor 'rouwend', naar het zwart-witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Deram in Nubië.


