Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Sardijnse grasmus
Sardijnse grasmus | Curruca sarda
Marmora's Warbler | Curruca sarda
De Sardijnse grasmus is een kleine, egaal leigrijze grasmus van de maquis van Corsica en Sardinië. Een deel van de populatie steekt in de winter de Middellandse Zee over naar het oosten van de Maghreb, en op het Tunesische eilandje Zembra broedt een klein buitenpostje. Wie hem in het gidsgebied zoekt, moet het dus vooral in de winter in het kustnabije struweel van Tunesië doen.
Geluid
Op Zembra en in het voorjaar een snel, krassend babbeltje van een tot twee seconden, voller en lager dan dat van de Provençaalse grasmus en met korte ratels erin. In de winter vooral de roep: een hard, droog tsjek, vaak in versnellende reeksen, en een ratelend tsjerr-r-r bij onrust.
Opname: Benjamin Drillat — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Klein en langstaartig, van kop tot buik gelijkmatig donker leigrijs, zonder rood, roze of bruin in het kleed. De oogring is oranjerood, de iris roodbruin, de poten oranje, de snavel donker met een oranje basis. De lange, getrapte staart is zwartachtig met smalle lichte randen. Het vrouwtje is iets valer en bruiner grijs, maar blijft eenkleurig; jonge vogels zijn grauwbruin met een dof oog. Zet bij opwinding de kruinveren op.
Verwarringssoorten
De Provençaalse grasmus (Curruca undata), in de winter in hetzelfde Tunesische struweel, heeft wijnrode onderdelen met witte spikkeltjes op de keel; vrouwtjes en jonge vogels zijn lastiger, maar hebben altijd een bruinroze zweem onder. De Balearengrasmus (Curruca balearica) heeft een bleke buik en is in het gebied niet vastgesteld. De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) is forser, met een zwarte kap boven een scherp afgesneden witte keel. De westelijke baardgrasmus (Curruca iberiae) heeft een oranje keel met een witte baardstreep.
Leefgebied
Laag, dicht struweel: maquis en garrigue met cistus, lentisk, rozemarijn en jeneverbes op kustheuvels en eilanden. In de winter ook in de lage, open garrigue van het kustvlak en de randen van zoutstruweel en olijfgaarden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied vooral wintergast: in Tunesië (de kustheuvels van Cap Bon, de Sahel van Sousse en Sfax tot in het zuidoosten), in Oost-Algerije en in Tripolitanië in Noordwest-Libië; elders in de Maghreb zeldzaam. Een kleine broedpopulatie op het eiland Zembra in de Golf van Tunis. Verder broedt de soort op Corsica, Sardinië, de Toscaanse eilanden en Pantelleria; buiten die eilanden en het Noord-Afrikaanse winterkwartier zeldzaam.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de winter in de lage garrigue van Cap Bon of op de kustheuvels rond Hammamet en Monastir, en luister naar de harde tsjek-reeksen. Laat elke donkere, langstaartige grasmus die geen wijnrode onderkant heeft goed bekijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Het hele wereldareaal is klein en beperkt tot enkele eilanden, waardoor de soort gevoelig is voor branden in de maquis. Het winterkwartier in Noord-Afrika is slecht bekend; de status in Algerije en Libië is onzeker.
Wetenschappelijke naam
Curruca sarda | (Temminck, 1820) (GBIF: Sylvia sarda)
Temminck beschreef de soort in 1820 als Sylvia sarda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. sarda is de Latijnse vrouwelijke vorm voor 'Sardijns', naar Sardinië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.

