Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Provençaalse grasmus

Provençaalse grasmus | Curruca undata

Dartford Warbler | Curruca rabilarga

De Provençaalse grasmus is een donker, langstaartig grasmusje van dicht laag struweel, dat in het gidsgebied voorkomt in de kustbergen en heuvels van het noorden van de Maghreb. De Noord-Afrikaanse vorm toni is iets bleker dan de Europese vogels. Een schuwe struikbewoner, die je vaker hoort dan ziet.

Provençaalse grasmus (Curruca undata)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een kort, snel, krassend babbeltje van anderhalve tot twee seconden, tsjer-witsjer-tsji-tsjerrie, vanaf een struiktop of in een korte, dansende zangvlucht. Kenmerkender is de roep: een raspend, uitgerekt tsjeerr, eindeloos herhaald door een verontruste vogel, en een kort tuk.

Luister: RoepXC1179912

Opname: Chèvremont Fabian — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, waarvan bijna de helft staart. Kop en bovendelen donker leigrijs, onderdelen wijnrood tot roodbruin met fijne witte spikkeltjes op de keel. Oogring en iris rood tot oranjerood, poten oranjebruin, snavel donker met een lichte basis. De vleugel is kort en rond, de lange, smalle staart zwartachtig met smalle witte punten, vaak schuin omhoog gehouden. Het vrouwtje is bruiner van boven en valer roze-bruin onder; jonge vogels zijn grauw en missen het rood bijna geheel. De vorm toni is iets bleker en grijzer van boven en iets lichter van onderen dan Europese vogels.

Verwarrings­soorten

De Sardijnse grasmus (Curruca sarda), in de winter in Tunesië, is gelijkmatig leigrijs van boven én van onderen, zonder wijnrood en zonder spikkeltjes op de keel. De Atlasgrasmus (Curruca deserticola) heeft een roestrood vleugelpaneel en een witte baardstreep. De kleine zwartkop (Curruca melanocephala), overal in hetzelfde struweel, is forser, met een zwarte kap en een zuiver witte keel. De westelijke baardgrasmus (Curruca iberiae) is korter van staart en heeft een oranje keel met een witte baardstreep.

Leefgebied

Dicht, laag struweel op heuvels en berghellingen: maquis en garrigue met cistus, heide (Erica), gaspeldoorn, dwergpalm en jonge kurk- of steeneiken, vaak na brand of kap. In Marokko tot ruim 1500 m in de Rif en Middel-Atlas; mijdt open steppe en woestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in het noorden van de Maghreb: in Marokko in de Rif, het noordelijk Atlantisch kustgebied en de noordelijke Middel-Atlas; in Noord-Algerije in de kustbergen en de Tell-Atlas, oostwaarts tot het grensgebied met Tunesië; in Noordwest-Tunesië in de Kroemirie en de Mogod. Ontbreekt ten zuiden van de Atlas en in Libië. In de winter komen er wellicht enkele Europese vogels bij in Noord-Marokko. Verder van Zuid-Engeland en West-Frankrijk over Iberië tot Ligurië, Toscane, Corsica en Sardinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko in de maquis van de Rif rond Chefchaouen en in de kurkeikenbossen bij Larache en Mamora, in Tunesië in de heide- en cistusstruwelen van de Kroemirie bij Aïn Draham. Luister naar de raspende tsjeerr-roep: wie wacht op een zingende vogel, mist hem vaak.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De wereldpopulatie is sterk afgenomen, vooral in Spanje en Frankrijk, door strenge winters, branden en het verdwijnen van struweel. De Noord-Afrikaanse vorm toni is weinig onderzocht; overbegrazing, kap en het omzetten van maquis in akkers en plantages zijn de belangrijkste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Curruca undata | (Boddaert, 1783) (GBIF: Sylvia undata)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla undata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. undata is Latijn voor 'gegolfd', van unda 'golf'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Provence in Frankrijk.