Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Scopoli's pijlstormvogel
Scopoli's pijlstormvogel | Calonectris diomedea
Scopoli's Shearwater | Pardela cenicienta mediterránea
De grote, bruingrijze pijlstormvogel van de Middellandse Zee, die met lange, licht gebogen vleugels traag en met weinig vleugelslagen over de golven glijdt. Het gidsgebied herbergt op het Tunesische eiland Zembra de grootste kolonie ter wereld.
Geluid
Op zee stil. In de kolonie ’s nachts een luid, klagend en wat kinderlijk huilend aaa-oew-aaa; het mannetje hoger en heser, het vrouwtje lager en ruwer.
Opname: Pere Josa — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot, met lange, wat gebogen en in de hand gebogen gehouden vleugels. Bovendelen vaal grijsbruin met een vage schubtekening en soms een smalle lichte stuitband; de kop is grijsbruin zonder scherpe kap, de onderdelen wit. De snavel is fors, bleekgeel met een donkere band voor de punt. Op de ondervleugel loopt het wit van de armpennen ver de handpennen in, waardoor alleen een smalle donkere vleugelrand overblijft; dat is het beste verschil met Kuhls pijlstormvogel. Vliegt met trage, soepele slagen en lange glijvluchten, bij wind in hoge bogen; vaak in groepen, en rust in vlotten op het water.
Verwarringssoorten
Kuhls pijlstormvogel (Calonectris borealis), de Atlantische zustersoort die in de herfst langs de Marokkaanse Atlantische kust trekt, is iets groter en zwaarder gesnaveld en heeft op de ondervleugel donkere handpennen tot aan de handpendekveren; zonder goede foto’s is het onderscheid vaak niet te maken. De grote pijlstormvogel (Ardenna gravis) heeft een scherpe donkere kap, een witte nekband, een witte stuitband en een dunne zwarte snavel. De yelkouanpijlstormvogel (Puffinus yelkouan) en de noordse pijlstormvogel (Puffinus puffinus) zijn veel kleiner, zwart-wit of donkerbruin, en wieken snel en stijf.
Leefgebied
Open zee boven het continentaal plat en daarbuiten, vaak bij scholen tonijn en dolfijnen en achter vissersschepen. Broedt in holen, rotsspleten en onder stenen op rotsige eilanden en kliffen; komt pas na het donker aan land.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Tunesië, op Zembra en Zembretta in de Golf van Tunis, waar de kolonie in 2015 op ongeveer 142.000 paren werd geschat, verreweg de grootste van de soort, en verder op de La Galite-archipel; in Algerije op eilandjes langs de kust, zoals de Habibas bij Oran, en in kleine aantallen op Libische eilandjes. Langs de Marokkaanse Middellandse-Zeekust en in de Straat van Gibraltar is hij een talrijke doortrekker; in de herfst trekken grote aantallen naar de Atlantische Oceaan en langs de Marokkaanse Atlantische kust zuidwaarts, in het voorjaar terug. Niet-broedende vogels zwerven in de zomer tot in het oostelijk deel van de Middellandse Zee voor de kust van Libië, Egypte, Israël en Libanon. In Arabië een dwaalgast: in Oman een tiental gevallen, vooral in juni en juli, en enkele in de Golf van Oman voor de Emiraten. Daarbuiten broedt hij op eilanden in de hele Middellandse Zee en de Adriatische Zee en overwintert hij in de Atlantische Oceaan voor West- en Zuid-Afrika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vanaf de veerboot of vanuit Sidi Daoud op Kaap Bon zie je in de zomer avond aan avond groepen naar Zembra vliegen. In de Straat van Gibraltar en vanaf Kaap Spartel bij Tanger passeren in oktober soms duizenden per uur.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en volgens nieuwere tellingen veel talrijker dan eerder gedacht, maar in Europa gevoelig door bijvangst in de beugvisserij, ratten in de kolonies en lichtvervuiling. De kolonie op Zembra is van wereldbelang; het zeegebied eromheen is na zendertjesonderzoek aangemerkt als belangrijk beschermingsgebied.
Wetenschappelijke naam
Calonectris diomedea | (Scopoli, 1769)
Scopoli beschreef de soort in 1769 als Procellaria diomedea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calonectris werd in 1915 ingevoerd door Mathews & Iredale. Calonectris verbindt het Oudgriekse kalos 'goed, edel' met de geslachtsnaam Nectris, die de Duitse natuuronderzoeker Heinrich Kuhl in 1820 voor pijlstormvogels gebruikte. diomedea verwijst naar de Griekse held Diomedes, wiens metgezellen na zijn dood in witte zeevogels werden veranderd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Tremiti-eilanden in Italië.
