Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Sprinkhaanzanger
Sprinkhaanzanger | Locustella naevia
Common Grasshopper-Warbler | Buscarla pintoja
De sprinkhaanzanger is een kleine, gestreepte en uiterst heimelijke zanger, die het gidsgebied vooral als doortrekker passeert. In het westen trekt hij door de Maghreb naar West-Afrika, in het oosten trekt de vale vorm straminea door Irak en de Golfstaten naar India.
Geluid
De zang is een hoog, droog, mechanisch gesnerp op één toon, als een naaimachine of een sprinkhaan: srrrrrrrrrrrr, soms minutenlang zonder onderbreking; doordat de vogel zijn kop draait, zwelt het geluid aan en af. Hoger, droger en sneller dan de snor. Doortrekkers zingen in het voorjaar af en toe, vooral in de schemering. Roep: een scherp tsjik.
Opname: MarekJas — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–14 cm. Olijfbruin tot olijfgrijs boven met fijne donkere streepjes op kruin, mantel en schouders, en vuilwit tot geelbruin onder, soms met een paar fijne streepjes op de onderkeel. De lange onderstaartdekveren zijn duidelijk donker gestreept. De staart is lang, breed en afgerond, de wenkbrauwstreep vaag, de poten lichtroze. De oostelijke vorm straminea is valer en grijzer, met fijnere streping. Loopt en klimt muisachtig door lage vegetatie en vliegt zelden ver.
Verwarringssoorten
De snor (Locustella luscinioides) is egaal roodbruin zonder streping en heeft ongestreepte onderstaartdekveren. De krekelzanger (Locustella fluviatilis) is groter, egaal bruin boven, met een gevlekte borst en geschubde onderstaartdekveren. De rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus) heeft een brede, crèmekleurige wenkbrauwstreep, een donkere kruin en een roestbruine stuit. De Siberische sprinkhaanzanger (Locustella certhiola) en de kleine sprinkhaanzanger (Locustella lanceolata) zijn mogelijke dwaalgasten in het oosten: de eerste heeft een roestige stuit en witte staartpunten, de tweede scherpe, donkere streepjes op borst en flanken.
Leefgebied
Op de trek in lage, dichte vegetatie: ruigte en riet aan de rand van moerassen, natte akkers en irrigatielandbouw met lucerne en graan, dichte begroeiing in oases, tuinen en parken. Mijdt open terrein en hoge bomen. Eet insecten en spinnen die hij laag in de vegetatie of op de grond zoekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Doortrekker. In het westen een regelmatige doortrekker door Marokko, vooral van eind februari tot april langs de Atlantische kust en in de noordelijke vlakten, schaarser in de herfst; schaars in Algerije, Tunesië en Libië. In Marokko worden ook enkele vogels in de winter gezien. In Egypte, Israël, Jordanië, Libanon en Syrië een schaarse doortrekker. In het oosten trekt de vorm straminea door Irak, Koeweit, het oosten van Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman, vooral in de herfst (augustus – oktober), schaarser in het voorjaar. Broedt van de Britse Eilanden en Noord-Spanje oostwaarts tot West-Siberië en Centraal-Azië; overwintert in West-Afrika ten zuiden van de Sahara en, voor de oostelijke vorm, op het Indiase subcontinent.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In maart en april in de rietranden en natte ruigten langs de Marokkaanse Atlantische kust, zoals bij Merja Zerga en Oued Massa, of in de groene parken en lucernevelden van de Emiraten in de herfst. Lastig te zien: wacht bij een ruigte tot hij even op een stengel klimt, of let op een kleine, gestreepte vogel die laag weg schiet en in de begroeiing verdwijnt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In delen van het Europese broedgebied achteruitgegaan; op de trek afhankelijk van natte ruigten en groene pleisterplaatsen, die in het gidsgebied door droogte en ontginning onder druk staan.
Wetenschappelijke naam
Locustella naevia | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla naevia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Locustella werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Locustella is Latijn, een verkleinwoord van locusta 'sprinkhaan'. naevia is Latijn voor 'gevlekt', naar het getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bologna in Italië.


