Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Snor
Snor | Locustella luscinioides
Savi's Warbler | Buscarla unicolor
De snor is een ongestreepte, roodbruine sprinkhaanzanger van oud, nat riet, die zich vooral laat kennen door zijn lage, gelijkmatige snorren in de schemering. In het gidsgebied broedt hij plaatselijk in de grote moerassen van de Maghreb, de Levant en Irak; elders trekt hij onopvallend door op weg naar de Sahel en Oost-Afrika.
Geluid
De zang is een lage, gelijkmatige, mechanische ratel op één toon: een aanhoudend surrrrrrrrr dat tientallen seconden doorloopt, vaak voorafgegaan door losse tikken die versnellen tot ze samensmelten: tik … tik … tiktiktik-surrrrr. Lager, voller en gelijkmatiger dan de sprinkhaanzanger, sneller en gladder dan de krekelzanger. Vooral in de schemering en 's nachts, vanaf een rietstengel. Roep: een kort, scherp tsjik.
Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm. Egaal warm roodbruin boven, zonder enige streping, met een vuilwitte keel en lichtbruine borst en flanken. De staart is lang, breed en sterk afgerond, met lange, egaal bruine onderstaartdekveren met smalle lichte punten. Voorhoofd vlak, wenkbrauwstreep kort en vaag, poten roze tot vleeskleurig. De oostelijke vorm fusca, die in Irak en de Levant broedt en door Arabië trekt, is kouder olijfbruin en grijzer onder, met duidelijker witte punten aan de onderstaartdekveren. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De sprinkhaanzanger (Locustella naevia) is olijfbruin met fijne donkere strepen op kruin en mantel en gestreepte onderstaartdekveren, en ratelt hoger en droger. De krekelzanger (Locustella fluviatilis) heeft een gevlekte borst en lange onderstaartdekveren met brede witte punten; vooral de vorm fusca kan erop lijken. De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) heeft een spitsere snavel, een kortere, minder afgeronde staart en korte onderstaartdekveren, en zingt in herhaalde motieven.
Leefgebied
Grote, oude, permanent natte rietvelden en lisdoddevelden met een dikke laag afgestorven riet, soms met verspreide struiken, langs meren, moerassen en rivieroevers. Op de trek ook in rietkragen van kleinere plassen, zuiveringsvijvers en irrigatiekanalen, en in dichte ruigte. Eet insecten en spinnen die hij laag in het riet zoekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in het noorden van de Maghreb in grote moerassen: plaatselijk in het noordwesten van Marokko (onder meer Merja Zerga en de benedenloop van de Loukkos), in het noordoosten van Algerije (de meren bij El Kala) en in het noorden van Tunesië (Ichkeul). In het oosten broedt de vorm fusca in de moerassen van Irak, in Syrië en in kleine aantallen in de Hulavallei in Israël; in Koeweit is broeden vermoed. Als doortrekker verspreid door het hele gebied, schaars in Libië en Egypte, regelmatig in Israël en de Jordaanvallei, en als schaarse doortrekker in Koeweit, het oosten van Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman. Overwintert in de Sahel, van Senegal tot Soedan en Ethiopië. Daarbuiten broedt hij van Iberië en Midden-Europa oostwaarts tot Centraal-Azië.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Maghreb in mei bij zonsondergang aan de rand van het riet van Merja Zerga of Ichkeul; in Israël in de Hulavallei, waar ook doortrekkers in maart en april zingen. Ga met het riet voor je staan en wacht op het snorren; een zingend mannetje zit vaak halverwege een stevige rietstengel en laat zich minuten bekijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten kwetsbaar door het droogleggen en verbranden van moerassen, het oogsten van riet en dalende waterstanden; de Mesopotamische moerassen en de Maghrebmeren zijn de belangrijkste broedplaatsen in het gebied.
Wetenschappelijke naam
Locustella luscinioides | (Savi, 1824)
Savi beschreef de soort in 1824 als Sylvia Luscinioides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Locustella werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Locustella is Latijn, een verkleinwoord van locusta 'sprinkhaan'. luscinioides betekent 'als een nachtegaal', van Luscinia, de nachtegaal, en het Griekse -oides 'gelijkend op'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pisa.

