Alle soorten › Zangvogels › Heggenmussen › Steenheggenmus
Steenheggenmus | Prunella ocularis
Radde's Accentor | Acentor de Radde
De steenheggenmus is een heggenmus van droge, rotsige berghellingen met een opvallend gestreepte kop. Het gidsgebied heeft er twee gescheiden bevolkingen van: in de zomer in het hooggebergte van Koerdistan, en het hele jaar door de eigen vorm fagani in de hoogste bergen van West-Jemen, die lang als aparte soort, de Arabische heggenmus, werd behandeld.
Geluid
De zang is een korte, snelle strofe van heldere, rinkelende tonen, dunner en minder rollend dan die van de alpenheggenmus, vanaf een struiktop of rotsblok. De roep is een fijn, hoog tsi-tsi-tsi en een kort trilletje. De zang van fagani klinkt volgens de weinige opnamen vrijwel gelijk.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14,5–15 cm. Zo groot als een heggenmus, maar veel contrastrijker van kop: kruin en oorstreek donker grijsbruin tot zwartbruin, gescheiden door een brede, lange roomwitte wenkbrauwstreep die tot ver achter het oog doorloopt. Keel roomwit, borst en flanken licht okerbeige met donkere streepjes op de flanken, buik vuilwit; rug grijsbruin met donkere strepen. Snavel dun en spits, poten roodbruin. Geslachten gelijk. De Jemenitische vorm fagani is iets kleiner en vooral bleker en grijzer op de kruin en de oorstreek, waardoor de wenkbrauwstreep minder scherp afsteekt. Scharrelt over de grond tussen stenen en struiken en duikt bij onraad weg in een struik.
Verwarringssoorten
De heggenmus (Prunella modularis) mist de lichte wenkbrauwstreep, is grijs op kop en borst en heeft een roodbruin oog. De alpenheggenmus (Prunella collaris) is groter, met een grijze kop, een gespikkelde keel en roestbruine flanken. De grijze gors (Emberiza cia) in Koerdistan en in Jemen de zevenstrepengors (Emberiza tahapisi) hebben eveneens een gestreepte kop, maar dan zwart-wit, een dikke kegelsnavel en een effen roestbruine onderzijde; de fijne, spitse snavel van de heggenmus beslist.
Leefgebied
Droge, zonnige berghellingen met verspreid doornstruweel, jeneverbes en kussenplanten, afgewisseld met steenvelden en rotsen, in Koerdistan meestal boven 2000 m, met een voorkeur voor struweel langs bergbeken en bronnen. In Jemen op rotsige hellingen met struikgewas en jeneverbes en langs de randen van terrasakkers op de hoogste toppen, rond 2400–3000 m. In de winter in lagere kloven en beekdalen met dicht struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
De vorm ocularis broedt in de hoogste bergen van Iraaks Koerdistan, aan de rand van een areaal dat van Oost-Turkije en de Kaukasus door Iran tot Turkmenistan reikt; in de winter zakt hij af, en enkele vogels bereiken dan Libanon, Syrië en de Hermon in Noord-Israël, waar hij een zeldzame wintergast is. De vorm fagani is een standvogel met een klein areaal op de hoogste toppen van het West-Jemenitische hoogland, ten noorden en westen van Sana'a; een vergelijkbare vogel elders op het Arabisch Schiereiland is niet bekend.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Jemen in de bergen boven Sana'a, op rotsige hellingen bij terrasakkers en jeneverbesstruweel boven 2500 m; vroeg in de ochtend zingen de vogels vanaf struiktoppen. In Koerdistan in juni en juli langs bergbeken met struweel boven de laatste dorpen. Op de Hermon gaat het in de winter om gericht zoeken in dicht struweel bij water; let op de witte wenkbrauwstreep over een donkere kop.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in het gidsgebied schaars en slecht onderzocht. De Jemenitische vorm fagani heeft een zeer klein areaal en wordt door het IOC nog als aparte soort, de Arabische heggenmus, behandeld; morfologie en zang wijzen echter op één soort (Kirwan, Collar & Boesman 2021). Overbegrazing van het bergstruweel en, in Jemen, verstoring door het conflict zijn de voornaamste zorgen; recente gegevens uit beide gebieden ontbreken grotendeels.
Wetenschappelijke naam
Prunella ocularis | (Radde, 1884)
Radde beschreef de soort in 1884 als Accentor ocularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prunella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Prunella komt van het Duitse Braunelle, de naam voor de heggenmus, een verkleinvorm van braun 'bruin'. ocularis is Latijn voor 'van het oog', van oculus 'oog', naar de lichte wenkbrauwstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Talysjbergen in Azerbeidzjan.


