Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Tafeleend

Tafeleend | Aythya ferina

Common Pochard | Porrón europeo

De meest verspreide duikeend van de grote meren in de winter, met een kastanjebruine kop, zwarte borst en lichtgrijs lijf bij het mannetje. Grote aantallen trekken in de winter naar de wetlands van Tunesië, Algerije, de Nijldelta en Irak; in de Maghreb broedt een klein aantal.

Tafeleend (Aythya ferina)
Foto: Tony Hisgett from Birmingham, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het vrouwtje laat een rauw, knorrend krr-krr horen, vooral bij het opvliegen. Het mannetje fluit in de balts zacht en hijgend, wiew-wiew.

Luister: VluchtroepXC1134412

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 45 cm, met een lange, geleidelijk aflopende voorhoofd- en snavellijn die de kop een driehoekig profiel geeft. Het mannetje heeft een kastanjerode kop, een rood oog, een zwarte borst en achterkant en een lichtgrijze rug en flanken; de snavel is donker met een lichtgrijze band en zwarte punt. Het vrouwtje is grijsbruin met een bruinere kop en borst, een lichte bril en een lichte streep achter het oog, en een lichte keel. In vlucht een vage grijze vleugelstreep, niet wit zoals bij de meeste verwanten.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de krooneend (Netta rufina) heeft een oranjerode kop, een rode snavel en witte flanken. Het vrouwtje van de witoogeend (Aythya nyroca) is donkerder roodbruin met witte onderstaart en een witte vleugelstreep. Uit Noord-Amerika kunnen de roodkopeend (Aythya americana) en de grote tafeleend (Aythya valisineria) op afstand op een tafeleend lijken, maar ze zijn in het gebied niet vastgesteld. Hybriden met kuifeend of witoogeend komen voor.

Leefgebied

Open zoete en brakke meren, stuwmeren, kustlagunes en grote moerassen met onderwatervegetatie. Duikt naar waterplanten, zaden en ongewervelden, vaak ook 's nachts, en rust overdag in grote groepen op open water. Broedt in dichte oevervegetatie op meren met een stabiel waterpeil.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de winter talrijk in Tunesië, met als belangrijkste plaats het meer van Ichkeul, verder op de meren bij El Kala en andere wetlands in het noorden van Algerije en op meren en stuwmeren in Marokko. In al deze landen broedt een klein aantal. In Egypte een wintergast op de Nijldeltameren; in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië in de winter vrij algemeen op meren en visvijvers. In Irak talrijk in de moerassen en op de meren langs Eufraat en Tigris; in Koeweit en de Golfstaten een schaarse wintergast en verder zuidelijk op het Arabisch Schiereiland zeldzaam. Daarbuiten broedt de soort van West-Europa tot Centraal-Azië en Siberië en overwintert ze tot in Noord-Afrika, de Sahel en India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Ichkeul en op de grote stuwmeren in de Maghreb liggen in de winter soms duizenden duikeenden bij elkaar. Kijk de groepen rustig door: tussen de tafeleenden zitten vaak kuifeenden, witoogeenden of krooneenden en soms een zeldzamere gast.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. Na een snelle afname in grote delen van het broedgebied staat de soort sinds 2015 als kwetsbaar op de Rode Lijst. In het gebied hangen de aantallen af van het waterpeil en de waterplanten in een handvol grote wetlands; droogte, verzilting, vervuiling en jacht drukken ze. Het aantal overwinteraars op Ichkeul is sterk teruggelopen sinds de aanleg van stuwdammen in de toevoerende rivieren.

Wetenschappelijke naam

Aythya ferina | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas ferina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aythya werd in 1822 ingevoerd door Boie. Aythya komt van Grieks aithuia, bij Aristoteles en Hesychius de naam van een niet nader te bepalen duikende zeevogel. ferina is Latijn voor 'wildbraad', van ferus 'wild'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.