Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Taigastrandloper

Taigastrandloper | Calidris subminuta

Long-Toed Stint | Correlimos dedilargo

Een kleine, bonte strandloper met gele poten en opvallend lange tenen, die in de taiga van Siberië broedt en vooral in Zuidoost-Azië overwintert. Het gidsgebied ligt aan de westrand van zijn winterareaal: in Oman is hij een schaarse maar geregelde gast, verder naar het noorden en westen een gewilde dwaalgast.

Taigastrandloper (Calidris subminuta)
Foto: JJ Harrison (https://www.jjharrison.com.au/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, rollend prrrt of tsjirrup, voller dan de roep van de kleine strandloper en zonder de triller van de Temmincks strandloper.

Luister: VluchtroepXC840993

Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer zo groot als een kleine strandloper, maar met een rechtere, staande houding, een langere hals en langere, geelgroene poten met lange tenen; de middelste teen is ongeveer zo lang als de snavel. De dunne donkere snavel is licht gebogen, vaak met een lichte basis aan de ondersnavel. De bovendelen zijn donker met brede rossige randen, de kruin rossig bruin, met een duidelijke witte wenkbrauw die vóór het oog vaak doorloopt tot de snavel, terwijl de donkere kruin bijna tot de snavelbasis reikt. Borst lichtbruin, fijn gestreept. In winterkleed grijzer, maar de bovendelen blijven donker gecentreerd. In vlucht een zwakke vleugelstreep; de tenen steken net voorbij de staart uit.

Verwarrings­soorten

De kleine strandloper (Calidris minuta) heeft zwarte poten, een rechtere snavel, een witter voorhoofd en een minder rechtopstaande houding. De Temmincks strandloper (Calidris temminckii) heeft ook gele poten, maar is egaal grijsbruin, met korte poten en witte staartzijden. De Amerikaanse kleinste strandloper (Calidris minutilla) lijkt sterk, maar is in het gidsgebied niet bekend. Met zijn rechte houding doet de taigastrandloper soms aan een miniatuur-bosruiter (Tringa glareola) denken.

Leefgebied

De modderige, vaak begroeide randen van zoet water: rioolvijvers, irrigatieplassen, overstroomde velden en de oevers van khors en kustlagunes met zoetwatertoevoer. Loopt vaak tussen lage vegetatie en strekt bij onraad de hals rechtop.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Oman een schaarse doortrekker en wintergast, vooral langs de Batinah-kust, rond Muscat en in Dhofar (onder meer bij de khors van Salalah). In de Emiraten vroeger dwaalgast en nu een zeldzame doortrekker. In Bahrein dwaalgast; in Saoedi-Arabië slechts enkele gevallen in het oosten (Abqaiq in 1977, Dhahran in 2011); in Israël twee gevallen (een in Eilat geringde vogel in augustus 1991 en een vogel in de Bet Sjeanvallei in oktober 2004). Uit Koeweit en Qatar waren tot 2011 geen gevallen bekend, en uit Noord-Afrika, Egypte, Irak en de Levant voor zover bekend evenmin. De soort is in het zuiden van het Arabisch Schiereiland duidelijk minder zeldzaam dan in het noorden. Daarbuiten broedt hij in de taiga en bossteppe van Siberië tot Kamtsjatka en de Koerilen en overwintert hij van India en Sri Lanka tot Zuidoost-Azië, de Filipijnen en Australië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is van oktober tot maart bij de rioolvijvers en khors in de omgeving van Muscat en Salalah in Oman. Zoek tussen de kleine strandlopers en Temmincks strandlopers naar een vogel met gele poten, een rossige kruin en een rechtopstaande houding, en noteer hoe ver de tenen in vlucht uitsteken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een groot broedgebied in Siberië; de populatie lijkt min of meer stabiel. In het gidsgebied zo schaars dat bescherming vooral samenvalt met het behoud van zoetwaterplassen en khors aan de Omaanse kust.

Wetenschappelijke naam

Calidris subminuta | (Middendorff, 1853)

Middendorff beschreef de soort in 1853 als Tringa subminuta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. subminuta is Latijn, van sub 'enigszins, na' en minutus 'klein', naar de verwantschap met de kleine strandloper (Calidris minuta). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Stanovojgebergte en monding van de Oeda, Chabarovsk, Rusland.