Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine strandloper
Kleine strandloper | Calidris minuta
Little Stint | Correlimos menudo
De kleinste en een van de talrijkste strandlopers van het gebied, een bedrijvig mussengroot vogeltje dat snel pikkend over het slik loopt. Hij overwintert in grote aantallen langs de Nijl, in de Golf en aan vrijwel elk ondiep water in Arabië.
Geluid
Een kort, scherp tit of stit, vaak in reeksjes tit-tit-tit bij het opvliegen; in groepen een zacht getjilp.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Zeer klein, met een korte, rechte, fijne zwarte snavel en zwarte poten. In winterkleed grijsbruin boven met donkere schachtstrepen, wit van onder met grijze borstzijden. Jonge vogels in de nazomer zijn opvallend warm gekleurd, met een witte V op de mantel, roestbruin gerande veren en een gespleten witte wenkbrauwstreep. In broedkleed (april–mei) roestoranje op kop, borst en bovendelen, met een witte keel. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en grijze buitenste staartpennen.
Verwarringssoorten
Temmincks strandloper (Calidris temminckii) is egaler grijsbruin, met een volle grijze borstband, gele of groenige poten, een langere staart en witte buitenste staartpennen; hij foerageert langzamer en meer aan begroeide oevers. De bonte strandloper (Calidris alpina) is duidelijk groter met een langere, gebogen snavel. De roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis), in het gebied een zeldzame dwaalgast, heeft kortere poten, een langere vleugelprojectie en in broedkleed een egaal rode keel zonder wit.
Leefgebied
Ondiep water met zachte modder: zoutpannen, sebkha's, kustlagunes en slikken, maar ook vloeivelden, visvijvers, stuwmeren, irrigatiekanalen en oasepoelen ver in de woestijn. Foerageert met snelle, korte pikbewegingen, vaak in losse groepen tussen andere steltlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Als doortrekker over het hele gebied, ook dwars door de Sahara en de Arabische woestijn, waar hij op elke poel kan opduiken. Overwintert in Marokko (Atlantische kust en Souss-Massa), Algerije en Tunesië (chotts, zoutpannen van Sfax, golf van Gabès) en langs de Libische kust; in Egypte talrijk in de Nijldelta, langs de Nijl en bij Aswan, en op de Fajoem-meren. In het Midden-Oosten wintert hij in Israël (Eilat, Jordaanvallei), Irak (zuidelijke moerassen) en zeer talrijk in de Golfstaten, Saoedi-Arabië, Oman en Jemen, ook op Socotra. Daarbuiten broedt hij op de toendra van Noord-Noorwegen tot Oost-Siberië en overwintert in Afrika bezuiden de Sahara, het Midden-Oosten en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De zoutpannen van Eilat, de vloeivelden van Al Ansab (Muscat) en de lagunes van Abu Dhabi houden 's winters honderden vogels, op korte afstand te bekijken. Zoek in augustus–september naar de warmgekleurde jonge vogels; tussen grote groepen zitten geregeld een Temmincks strandloper of, in Arabië, een zeldzamere Aziatische soort.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en talrijk. In het gidsgebied profiteert hij plaatselijk van kunstmatig water zoals vloeivelden, visvijvers en zoutpannen, maar lijdt hij onder drooglegging, vervuiling en kustbebouwing, vooral in de Golf en op de Egyptische deltameren.
Wetenschappelijke naam
Calidris minuta | (Leisler, 1812)
Leisler beschreef de soort in 1812 als Tringa minuta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. minuta is Latijn voor 'klein', naar het formaat van deze kleinste Europese strandlopers. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hanau in Duitsland.


