Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Gestreepte strandloper

Gestreepte strandloper | Calidris melanotos

Pectoral Sandpiper | Correlimos pectoral

Een Amerikaans-Siberische strandloper die het gidsgebied als zeldzame doortrekker bereikt, meestal als jonge vogel in het najaar. Hij duikt op aan zoet en brak water, van de Atlantische kust van Marokko tot de Golf.

Gestreepte strandloper (Calidris melanotos)
Foto: Andrew C — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, ratelend krrrt of trrip, lager en vuller dan de roep van de krombekstrandloper.

Luister: VluchtroepXC1050169

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, wat langhalzige strandloper met een korte, licht gebogen snavel met een gelige basis en geelgroene poten. Het kenmerk is de dicht bruin gestreepte borst die scherp en recht afsnijdt tegen de witte buik. De bovendelen zijn bruin met zwarte veercentra en roestbruine randen; jonge vogels hebben een witte V op de mantel en een donkere, wat geschubde kruin met een vage wenkbrauwstreep. In vlucht een vage vleugelstreep en witte zijden van de stuit met een zwarte middenstreep.

Verwarrings­soorten

De kemphaan (Calidris pugnax) is groter, met een kleiner hoofd, langere poten en een egale borst zonder scherpe afgrenzing. De krombekstrandloper (Calidris ferruginea) heeft een langere, gelijkmatig gebogen snavel, zwarte poten en een witte stuit. De Siberische strandloper (Calidris acuminata), elders in Arabië een uiterst zeldzame dwaalgast, heeft een roestige kruin, een opvallende witte wenkbrauw en een borst zonder scherpe grens. De bonte strandloper (Calidris alpina) is kleiner en heeft zwarte poten.

Leefgebied

Graslanden en begroeide oevers langs ondiep zoet of brak water: vloeivelden, visvijvers, stuwmeren, zoutpanranden en natte velden. Foerageert vaak in de vegetatie aan de waterkant, waar hij lang verborgen kan blijven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zeldzaam, maar in het hele gebied te verwachten. In Marokko waren er tot 1998 zeven aanvaarde gevallen, waaronder twee jonge vogels in het estuarium van de Oued Souss bij Agadir in september–oktober 1998; sindsdien enkele meer. In Israël waren er tot 2014 dertien gevallen, verspreid over voorjaar en najaar, vooral bij Eilat (zoutpannen bij KM20), Ma'agan Michael en in de Jordaanvallei. In Koeweit twee gevallen (2011 en 2021, Jahra Pools). In Oman een toevallige dwaalgast; in de Emiraten zeldzaam maar vrijwel jaarlijks. Daarnaast enkele gevallen uit Tunesië, Egypte en Saoedi-Arabië. Daarbuiten broedt hij op de toendra van Noord-Siberië en Arctisch Noord-Amerika en overwintert in Zuid-Amerika en Australazië; dwaalgasten bereiken jaarlijks Europa.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Controleer in september–oktober de begroeide randen van vloeivelden en visvijvers: in de Emiraten (zoals Al Wathba en de vloeivelden van Al Ain) en bij Eilat is de kans het grootst. De scherpe borstafgrenzing valt pas op als de vogel uit de vegetatie stapt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een zeldzame doortrekker, waarvan het aantal waarnemingen toeneemt met het aantal vogelaars en het aanbod aan kunstmatig zoet water in Arabië.

Wetenschappelijke naam

Calidris melanotos | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa melanotos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. melanotos komt van het Griekse melas 'zwart' en notos 'rug', dus 'zwartrug'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.