Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Tuinfluiter
Tuinfluiter | Sylvia borin
Garden Warbler | Curruca mosquitera
De tuinfluiter is de grasmus zonder kenmerken: een egaal grijsbruine, rondkoppige zanger die in het gidsgebied vrijwel alleen als doortrekker voorkomt, op weg tussen Europa en West-Azië en de winterkwartieren in tropisch en zuidelijk Afrika. In het voorjaar kan hij in oases en tuinen in grote aantallen neerstrijken, en in de herfst eet hij zich vol aan vijgen en bessen voor de oversteek van de Sahara.
Geluid
Doortrekkers zingen in het voorjaar geregeld: een lange, gelijkmatige, warme kabbeling van zachte, licht rollende tonen, langer en egaler dan de zang van de zwartkop en zonder diens heldere, fluitende slot. De roep is een droog tjek-tjek en een zacht, getrokken tsjèèh.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–14,5 cm. Compact en rondkoppig, met een korte, stompe snavel en een zachte gezichtsuitdrukking. Bovendelen egaal grijsbruin tot olijfbruin, onderdelen vuilwit met een beige waas over borst en flanken. Het enige echte kenmerk is een grijzige vlek op de halszijde; verder een vage lichte oogring en een nauwelijks zichtbare wenkbrauwstreep. Geen vleugelstreep en geen wit in de staart; poten blauwgrijs. Geslachten gelijk; jonge vogels zijn in de herfst iets warmer en frisser getint.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en jonge vogels van de zwartkop (Sylvia atricapilla) hebben altijd een roodbruine pet. De oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida) en de westelijke vale spotvogel (Iduna opaca) hebben een plattere kop, een langere, spitse snavel met een lichte ondersnavel en een lichte teugelstreep, en bewegen de staart. Jonge sperwergrasmussen (Curruca nisoria) zijn groter en langstaartiger, met lichte randen aan de vleugeldekveren en tertials en donkere halve maantjes op de onderstaartdekveren. De grote vale spotvogel (Hippolais languida) is grijzer en zwaait met een langere staart.
Leefgebied
Op de trek elke plek met een dicht bladerdak en struiken: oases en dadelpalmtuinen met een onderlaag van vijgen en granaatappels, boomgaarden, parken en tuinen, rivierbos langs de Nijl en de Eufraat, en in de Maghreb maquis en oeverbos. In de nazomer en herfst eet hij veel vruchten, zoals vijgen, moerbeien en bessen van mastiek en vlier, om vetreserves op te bouwen voor de woestijnoversteek.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Doortrekker door het hele gebied. In de Maghreb vooral in het najaar talrijk, langs de Atlantische kust van Marokko, in het noorden van Algerije en Tunesië en in de oases van de Sahara; in het voorjaar trekken velen in één ruk over de woestijn en zijn ze schaarser. In het oosten trekt hij door Libië, Egypte (Nijlvallei en Sinaï), Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak, en in kleinere aantallen over het Arabisch Schiereiland, van Saoedi-Arabië en Koeweit tot Jemen, Oman en de Golfstaten; in het voorjaar het talrijkst langs de kust van de Levant en bij Eilat. Er zijn geen broedgevallen in het gebied bekend. Daarbuiten broedt hij van Noord-Spanje en Groot-Brittannië door Europa tot West-Siberië, Turkije en de Kaukasus, en overwintert hij in tropisch en zuidelijk Afrika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In april en mei in Eilat, de tuinen van Sharm el-Sheikh of een oase aan de Marokkaanse woestijnrand: zoek naar een rustig bewegende, egale grasmus diep in een vijgenboom en luister naar de lange, kabbelende zang. In september en oktober zijn bessendragende struiken en vijgenbomen in de kusttuinen van de Maghreb de beste plek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Op de trek vallen slachtoffers door vangst met netten en lijmstokken, met name langs de Egyptische Middellandse Zeekust en in delen van de Levant; ook het verdwijnen van tuinen en struweel in oases speelt hem parten.
Wetenschappelijke naam
Sylvia borin | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla Borin; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sylvia werd in 1769 ingevoerd door Scopoli. Sylvia is nieuwlatijn silvia, een bosnimf, bij silva 'bos'; de naam ging over op kleine zangvogels van struweel en kreupelhout. borin is een volksnaam voor de vogel uit de streek van Genua, afgeleid van het Latijnse bos 'os', omdat men meende dat de vogel de ossen volgde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.


