Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Roodbuikbuulbuul
Roodbuikbuulbuul | Pycnonotus cafer
Red-Vented Bulbul | Bulbul cafre
De roodbuikbuulbuul is een Zuid-Aziatische tuinvogel die het gidsgebied niet op eigen kracht heeft bereikt: ontsnapte en vrijgelaten kooivogels hebben zich sinds de jaren tachtig en negentig gevestigd in de steden aan de Perzische Golf. Daar is hij nu in parken, hotelterreinen en villawijken een vertrouwde verschijning, vaak in gezelschap van de inheemse witoorbuulbuul.
Geluid
Opgewekt en luidruchtig. De zang is een kort, vrolijk fluitfrasetje, ongeveer be-kwik-kwik-wie of pie-pie-pa-wa, vaak in duet. De roep is een scherp piep of pik, bij onraad een snel herhaald, schel pik-pik-pik.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–21 cm. Een donkere, rank gebouwde buulbuul met een korte, puntige zwarte kuif. Kop en keel zijn glanzend zwart, zonder witte wangvlek of oogring; de zwarte bef loopt over in een donkerbruine borst. Mantel, borst en flanken zijn donker grijsbruin met lichte veerzomen, waardoor de vogel van dichtbij duidelijk geschubd oogt. De stuit is vuilwit en valt in de vlucht op, de onderstaartdekveren zijn helder karmijnrood. De staart is zwartbruin met een witte eindband. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en bruiner op de kop, met een lichtere, meer oranjeroze onderstaart.
Verwarringssoorten
De witoorbuulbuul (Pycnonotus leucotis) heeft een grote witte wangvlek, een lichte, ongeschubde onderkant, gele onderstaartdekveren en geen witte stuit. In de Golfstaten komen kruisingen tussen beide soorten geregeld voor: zulke vogels hebben een kleine of vage witte wangvlek, oranje onderstaartdekveren en een donkere vlekkerige borst, en zijn niet met zekerheid op naam te brengen. De Arabische buulbuul (Pycnonotus xanthopygos) heeft een witte oogring en geel onder de staart. De roodoorbuulbuul (Pycnonotus jocosus), elders in het gebied soms als ontsnapte kooivogel gezien, heeft een hoge zwarte kuif, een rode vlek achter het oog, witte wangen en een witte onderkant.
Leefgebied
In het gidsgebied vrijwel alleen in de bebouwde omgeving: stadsparken, villatuinen, hotelterreinen, golfbanen, groenstroken langs wegen en geïrrigeerde boomgaarden en dadelpalmtuinen aan de stadsrand. Buiten bewaterd groen komt hij nauwelijks voor. Eet vruchten, bessen, bloemen en nectar, aangevuld met insecten. Het nest is een kleine kom van twijgen en grassen in een struik of lage boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Gevestigd als exoot in Koeweit, Bahrein, Qatar (schaars, in parken en tuinen), de Verenigde Arabische Emiraten (sinds het begin van de jaren negentig, nu in vrijwel alle steden), het noorden van Oman (vooral rond Muscat en op de Batinah-kust) en het oosten van Saoedi-Arabië (Oostprovincie), met plaatselijke populaties elders, onder meer rond Riyad. Losse waarnemingen elders in het gebied gaan op ontsnapte kooivogels terug. Het natuurlijke areaal ligt buiten het gidsgebied: van Pakistan door India, Sri Lanka en Nepal tot Myanmar en Zuidwest-China. Elders ook ingevoerd, onder meer op Hawaï, Fiji, Samoa en Tonga.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Emiraten en Bahrein is een vroege ochtend in een stadspark genoeg: de vogels zitten hoog in bloeiende bomen en laten bij het opvliegen de witte stuit en de rode onderstaart zien. Let in Qatar, Bahrein en de Emiraten ook op kruisingen met de witoorbuulbuul; noteer de kleur van de onderstaart en de grootte van de wangvlek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in het eigen areaal zeer algemeen. De soort komt van nature niet in het gidsgebied voor; ze is hier ingevoerd als kooivogel en heeft zich met ontsnapte en vrijgelaten vogels in de stedelijke groenzones van de Golfstaten gevestigd. Elders, vooral op eilanden in de Stille Oceaan, geldt ze als schadelijke invasieve soort. In het gidsgebied is de belangrijkste zorg de kruising met de inheemse witoorbuulbuul.
Wetenschappelijke naam
Pycnonotus cafer | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Turdus] cafer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Pycnonotus is Grieks, van puknos 'dicht, compact' en -nōtos 'gerugd', van nōton 'rug', naar het dichte verenkleed van de rug. cafer verwijst naar Kaapland (Kaffraria) in Zuid-Afrika, een vergissing: de soort komt daar niet voor. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sri Lanka.

