Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Arabische buulbuul
Arabische buulbuul | Pycnonotus xanthopygos
White-Spectacled Bulbul | Bulbul árabe
De Arabische buulbuul is de tuinvogel van de Levant en het westen en zuiden van Arabië: van Jeruzalem en Amman tot de wadi's van Jemen en Dhofar zit hij hoog en zichtbaar in struiken en bomen, roept de hele dag door en verraadt zich bij het wegvliegen met een felgele vlek onder de staart.
Geluid
Luidruchtig en de hele dag te horen. De zang is een kort, vol en helder fluitzinnetje van vier tot zeven noten, ongeveer bulbul-bul-bulbul of tsjoek-tsjoek-tsjiwie, vanaf een dak, antenne of boomtop om de paar seconden herhaald. De contactroep is een scherp kwiet of tsjip; bij een kat of uil een raspend, aanhoudend tsjrr-tsjrr waarop de hele buurt komt aanvliegen.
Opname: Mischa Keijmel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–20 cm. Een forse buulbuul met een vrij lange staart en zonder kuif, al worden de kruinveren bij opwinding opgezet. De kop is roetzwart tot donker roetbruin en loopt over keel en bovenborst door; midden in dat donker staat een smalle, opvallend witte ring rond het oog. Mantel, vleugels en staart zijn grijsbruin, de onderdelen vaal grijsbeige, iets lichter naar de buik, en de onderstaartdekveren helder warmgeel. Snavel en poten zijn zwart. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben een bruinere kop, een doffere oogring en een bleker geel onder de staart.
Verwarringssoorten
De grauwe buulbuul (Pycnonotus barbatus), van het Nijldal westwaarts, heeft geen witte oogring en witte in plaats van gele onderstaartdekveren; in het noordoosten van Egypte en de Sinaï komen kruisingen voor. De witoorbuulbuul (Pycnonotus leucotis) heeft een zwarte kop met een grote witte wangvlek en geen oogring; ook met hem kruist hij waar de soorten samenkomen, zoals rond Riyad en in Noord-Oman. De roodbuikbuulbuul (Pycnonotus cafer) heeft een kuifje, een geschubde borst, een witte stuit en rode onderstaartdekveren. Een vrouwtje merel (Turdus merula) is forser, egaal bruin zonder donkere kap en zonder geel onder de staart.
Leefgebied
Overal waar struiken, bomen en water samenkomen: stadstuinen, parken, hotelterreinen, boomgaarden, olijf- en dadelaanplant, maquis en garrigue, en het tamarisk-, oleander-, acacia- en christusdoornstruweel in de wadi's, tot in oases van de Aravavallei en bij de Dode Zee. In Jemen en Zuidwest-Arabië ook in jeneverbes- en acaciastruweel in de bergen, tot boven 2000 m. Gesloten bos en kale woestijn mijdt hij. Eet vooral vruchten, bessen, bloemknoppen en nectar, aangevuld met insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In de Levant algemeen in Libanon, het westen van Syrië, Israël met Samaria en Judea (van Galilea tot de Arava en Eilat) en Jordanië (Jordaanvallei, Dode Zee, het zuiden tot Wadi Rum en Akaba). In Egypte in de Sinaï en aan de oostkant van het Suezkanaal. Op het Arabisch Schiereiland in het westen en zuiden van Saoedi-Arabië (Hidjaz en Asir, plaatselijk tot in Nadjd en Riyad), in vrijwel heel Jemen (hoogland, Tihama en Hadramaut), in Oman (Dhofar en het Hadjargebergte) en in het oosten van de Verenigde Arabische Emiraten (Hadjar, oostkust, Al-Ain). Schaars en plaatselijk in het westen van Irak; in Koeweit, Bahrein en Qatar zeldzaam. Ontbreekt op Socotra. Daarbuiten alleen langs de zuidkust van Turkije, waar hij de laatste decennia naar het westen is opgeschoven.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Geen zoekwerk nodig: ga in Jeruzalem, Amman, Eilat of Taiz ergens zitten waar een tuinslang of druppelirrigatie loopt. In de middaghitte komen ze drinken en baden, en dan zie je de witte oogring en het gele onder de staart in één beeld. Voor de zang is het eerste halfuur na zonsopgang het beste.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in vrijwel het hele areaal algemeen tot zeer algemeen. De soort profiteert van tuinen, irrigatie, stadsgroen en boomgaarden. In fruitteeltgebieden geldt hij plaatselijk als lastig omdat hij rijpe vijgen, dadels en druiven eet. Bedreigingen van betekenis zijn er niet; kruising met ingevoerde buulbuuls in de Golfstaten en met de grauwe buulbuul in Noordoost-Egypte is vooral een determinatieprobleem.
Wetenschappelijke naam
Pycnonotus xanthopygos | (Hemprich & Ehrenberg, 1833)
Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Ixus xanthopygos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Pycnonotus is Grieks, van puknos 'dicht, compact' en -nōtos 'gerugd', van nōton 'rug', naar het dichte verenkleed van de rug. xanthopygos is Grieks voor 'geelstuitig', van xanthos 'geel' en pugē 'stuit'; bij deze vogel zijn de onderstaartdekveren geel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Muwailah aan de Rode Zee.


