Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Westelijke vale spotvogel
Westelijke vale spotvogel | Iduna opaca
Western Olivaceous Warbler | Zarcero bereber
De Westelijke vale spotvogel is de grote, bruinige vale spotvogel van de Maghreb, een zomergast die in Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en Noordwest-Libië broedt in tamarisken, oeverbos en boomgaarden. Hij is pas in 2002 als aparte soort van de Oostelijke vale spotvogel gescheiden en verschilt daarvan vooral in maat, snavel en zang.
Geluid
De zang is een snel, laag, schurend gebabbel met de haperende cadans van een rietzanger, zonder heldere fluittonen en zonder imitaties: een aanhoudende stroom nasale, ratelende noten uit het binnenste van een tamarisk of struik, trager en voller dan die van de Oostelijke vale spotvogel. De roep is een hard, droog tsjek, bij onrust een ratel tsjrrr. Zang van half april tot in juli, ook in de hitte van de middag.
Opname: Pablo Guillemaud — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm. Effen grijsbruin tot olijfbruin boven en vuilwit tot licht beige onder, zonder geel, zonder streping en zonder wenkbrauwstreep van betekenis. De snavel is lang, breed en recht, met een geheel oranje ondersnavel; het voorhoofd loopt vlak in de snavel door, wat de kop lang en spits maakt. De handpenprojectie is kort, de lange staart recht afgesneden met smalle vale zomen aan de buitenste pennen. Poten grijs tot vleeskleurig grijs. Bij elke beweging gaat de staart met een korte ruk omlaag, al doet hij dat minder nadrukkelijk dan de Oostelijke vale spotvogel. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De Oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida), in de Saharaoases ten zuiden van zijn broedgebied in de vorm reiseri, is kleiner en kortsnaveliger, bleker zandkleurig of kouder grijs en zingt sneller en schriller; op de trek in Marokko en Algerije beslist de combinatie van maat, snavel en zang. De orpheusspotvogel (Hippolais polyglotta) is geel onder en groenig boven en tikt niet met de staart. De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) is warmer bruin, heeft een afgeronde staart en leeft vooral in riet.
Leefgebied
Tamariskstruweel, oleander en oeverbos langs rivieren en wadi's, boomgaarden, olijf- en sinaasappelgaarden, palmtuinen aan de woestijnrand, hagen in irrigatielandbouw en parken en tuinen; van de kust tot ongeveer 1500 m in de dalen van de Atlas. Op de trek ook in struwelen in de Westelijke Sahara.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Zomergast in het noorden van de Maghreb: in Marokko wijdverbreid en algemeen, van de Atlantische laagvlakte en de Rif tot de Souss, de dalen van de Atlas en de woestijnrand ten zuiden ervan; in Algerije in de Tell, op de hoogvlakten en in de noordelijke Saharaatlas; in Tunesië in het noorden en midden; in Noordwest-Libië (Tripolitanië) plaatselijk. Op de trek, april – mei en augustus – oktober, door de Westelijke Sahara en de westelijke Sahara-oases; oostelijker zijn er geen zekere gevallen. Daarbuiten broedt de soort in Zuid- en Oost-Spanje en (schaars) Zuid-Portugal, en overwintert in de Sahel en de savannes van West-Afrika, van Senegal en Gambia tot Nigeria en Tsjaad.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister in mei in de tamarisken en oleanders langs de Oued Souss en de Oued Massa of in de boomgaarden rond Taroudant en Ouarzazate naar het lage, schurende gebabbel; de zanger zit vaak verscholen, maar verraadt zich door het staarttikken als hij van struik naar struik gaat.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Marokko nog algemeen. De soort verliest plaatselijk oeverbegroeiing aan kanalisatie, zandwinning en het kappen van tamarisken, en profiteert elders van boomgaarden en irrigatie; over de aantallen in Algerije, Tunesië en Libië is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Iduna opaca | (Cabanis, 1851)
Cabanis beschreef de soort in 1851 als Hypolais opaca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Iduna werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Iduna wordt gewoonlijk in verband gebracht met Iðunn, in de Noorse mythologie de godin die de appels van de eeuwige jeugd bewaakte; de naamgevers lichtten de naam niet toe en er zijn ook andere afleidingen voorgesteld. opaca is Latijn voor 'donker, beschaduwd'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


