Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Winterkoning

Winterkoning | Troglodytes troglodytes

Eurasian Wren | Chochín común

De winterkoning is een van de kleinste vogels van het gebied en bijna een bolletje met een opgestoken staartje, maar met een stem die een heel dal vult. In het gidsgebied leeft hij in de vochtige bossen en dichte begroeiing van de Maghreb, het Groene Gebergte (Jebel Akhdar) in Libië, de noordelijke Levant en Koerdistan. Een reeks eigen vormen, waarvan de Libische het meest geïsoleerd is.

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)
Foto: Alexis Lours — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een explosie van heldere, harde tonen met een kenmerkende ratel of triller ergens in het midden, enkele seconden lang en zeer luid voor een vogel van dit formaat; vrijwel het hele jaar te horen, het meest in het voorjaar. Alarmeert met een hard, ratelend tsjerrrr en een droog, tikkend tek-tek-tek.

Luister: ZangXC1156514

Opname: SWIFT Olivier — CC BY-NC 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

9–10,5 cm. Klein, rond en warm bruin, fijn donker gebandeerd op vleugels, staart en flanken, met een korte, vaak recht opgestoken staart. Een lichte wenkbrauwstreep, een vrij lange, dunne, rechte snavel en roze-bruine poten. Onderdelen lichter, beige tot grijsbruin. De Noord-Afrikaanse vorm kabylorum is bleker en grijzer dan Europese vogels; de Libische juniperi is nog bleker en zwaarder gebandeerd; de Levantijnse syriacus is warm, roodachtig bruin.

Verwarrings­soorten

De heggenmus (Prunella modularis) is groter, grijs op kop en borst, gestreept op de rug en heeft een langere staart die niet omhoog wijst. De boomkruiper (Certhia brachydactyla) klimt tegen stammen op, heeft een witte onderzijde en een lange gebogen snavel. De Cetti’s zanger (Cettia cetti) is groter, effen roestbruin zonder bandering, met een brede, afgeronde staart, en zit in rietkragen en struiken langs water.

Leefgebied

Dichte, vochtige ondergroei in bos: kurkeiken-, ceder- en eikenbos met varens en braam, beekdalen met oeverbos, ravijnen met struikgewas, ook dicht jeneverbes- en maquisstruweel; in de Hoge Atlas tot boven de boomgrens tussen rotsen en dwergstruiken. In Libië in de jeneverbesmaquis van de Jebel Akhdar. ’s Winters ook in tuinen, heggen, rietkragen en dicht struweel in het laagland. Zoekt insecten en spinnen laag bij de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika de vorm kabylorum: in Marokko in de Rif, de Atlas en de bossen van het noordelijk binnenland en de Atlantische kust, in het noorden van Algerije en in Noord-Tunesië. Een geïsoleerde vorm, juniperi, in de Jebel Akhdar in Cyrenaica (Noordoost-Libië). In de Levant de vorm syriacus in Libanon, West-Syrië en het noorden van Israël (Hermon, Golan, Opper-Galilea en de Karmel), naar het zuiden schaarser, en in Noordwest-Jordanië zeer schaars. In Noord-Irak een vorm van de Koerdische bergen. In de winter verspreid ook lager in Israël en de Levant; daarbuiten een zeldzame dwaalgast in Egypte, Koeweit en de Golfstaten. Buiten het gebied in heel Europa en de gematigde zone van Azië tot Japan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de Karmel en in de bossen van Opper-Galilea is de luide zang in het voorjaar een van de eerste geluiden van de dag. In Marokko overal in de ondergroei van de cederbossen bij Ifrane en in de beekdalen van de Rif; in Libië in de wadi’s van de Jebel Akhdar.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb en de noordelijke Levant algemeen in geschikt bos. De Libische vorm juniperi leeft in een klein en geïsoleerd gebied, waar het jeneverbesbos van de Jebel Akhdar onder druk staat van kap, begrazing en uitbreiding van landbouw; genetisch onderzoek toont dat de Cyrenaïsche en Maghrebijnse winterkoningen duidelijk van de Europese verschillen.

Wetenschappelijke naam

Troglodytes troglodytes | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Troglodytes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Troglodytes werd in 1809 ingevoerd door Vieillot. Troglodytes is Grieks, van troglē 'hol, spleet' en dyein 'kruipen': 'holbewoner', naar de gewoonte om al zoekend in spleten en holten te verdwijnen. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.