Alle soorten › Zandhoenderachtigen › Zandhoenders › Witbuikzandhoen
Witbuikzandhoen | Pterocles alchata
Pin-Tailed Sandgrouse | Ganga ibérica
Het zandhoen van de grasachtige steppe en de hoogvlakten, niet van de echte woestijn. Met zijn lange spitse staartpennen, groenige rug en helderwitte buik is hij de bontste en slankste van de zes zandhoenders van het gidsgebied. 's Ochtends vliegen groepen met veel lawaai naar een drinkplaats, soms tientallen kilometers ver.
Geluid
In vlucht een luid, nasaal en schor katar katar of ga-ga-garr, herhaald door alle vogels van een groep, op grote afstand hoorbaar. Klinkt rauwer en eentoniger dan het borrelende kwitoe van het sahelzandhoen.
Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Slank, met een lange staart waarvan de twee middelste pennen als dunne spelden uitsteken. Het mannetje heeft een olijfgroene kruin en rug met gele en groenige vlekken, een oranje gezicht met een zwarte oogstreep en een zwarte keel, en over de borst een kastanjebruine band tussen twee smalle zwarte lijnen. Het vrouwtje is fijner geschubd en gebandeerd op de rug, met een witte keel, twee of drie dunne zwarte borstlijnen en dezelfde roestgele borstband. Bij beide is de buik zuiver wit. In vlucht valt de witte onderzijde met witte ondervleugels en de scherp contrasterende zwarte slagpennen op: geen ander zandhoen in het gebied heeft zo'n witte vleugelonderkant.
Verwarringssoorten
Het sahelzandhoen (Pterocles senegallus) heeft ook staartspelden, maar is egaal zandkleurig met een donkere middenstreep over de buik, niet wit. Het zwartbuikzandhoen (Pterocles orientalis) is forser, zonder staartspelden, met een zwarte buik en donkere ondervleugeldekveren. Het roodbuikzandhoen (Pterocles exustus) heeft een donker kastanjebruine buik en leeft zuidelijker, in het Arabische laagland.
Leefgebied
Vlakke, open steppe met kort gras en lage struikjes: alfa-steppe en kruidensteppe op de hoogvlakten, droge weidegronden, braakland en stoppelvelden, en de randen van chotts en zoutvlakten. Mijdt echte zand- en steenwoestijn, rotsig terrein en dichte begroeiing. Eet kleine zaden, groene scheuten en knoppen; drinkt vooral in de ochtenduren, in de winter in groepen van honderden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In de Maghreb op de hoogvlakten en in de steppen van Oost-Marokko (rond Missour, Outat el Haj en de Moulouyavlakte), Noord-Algerije (de hoogvlakten van Djelfa tot Tébessa) en Midden-Tunesië; in Libië schaars in het noordwesten. In het oosten broedt hij in de steppe van Syrië en Noord-Irak, in het oosten van Jordanië en, sterk afgenomen, in de noordelijke Negev in Israël. In de winter verschijnen grote groepen in Irak en Koeweit en kleinere aantallen in Noord-Saoedi-Arabië; in Egypte en de Golfstaten zeldzaam. Buiten het gebied broedt de soort in Spanje, Portugal en de Crau in Zuid-Frankrijk, en van Turkije via Iran tot Kazachstan; de oostelijke vogels overwinteren tot in Pakistan en Noordwest-India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in Oost-Marokko na zonsopgang naar de vlaktes ten oosten van Missour en luister naar het hese katar van overvliegende groepen; volg ze naar een poel of drinkbak en wacht op afstand. In Tunesië en Algerije bieden de stuwmeren aan de rand van de hoogvlakten dezelfde kans. In de winter in Koeweit en Zuid-Irak zijn groepen van honderden op akkerland mogelijk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van het verspreidingsgebied afnemend. In Noord-Afrika en de Levant gaat geschikte steppe verloren aan ploegen, irrigatielandbouw en overbegrazing, en zandhoenders worden aan drinkplaatsen intensief bejaagd. In Israël is de broedpopulatie tot een kleine rest teruggelopen; over de stand in Libië en Irak is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Pterocles alchata | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tetrao Alchata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterocles werd in 1815 ingevoerd door Temminck. Pterocles is Grieks, van pteron 'vleugel' en -klēs 'befaamd, schitterend'. alchata gaat terug op het Arabische al-qaṭā, de naam voor de zandhoenders, gevormd naar de roep van de vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidwestelijk Europa.


