Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Witkeelbijeneter
Witkeelbijeneter | Merops albicollis
White-Throated Bee-Eater | Abejaruco gorjiblanco
Een slanke bijeneter van de Sahel met een zwart-wit gestreepte kop en extreem lange, draaddunne staartpennen. Binnen het gidsgebied broedt hij alleen in het zuidwesten van Arabië, waar hij in het voorjaar uit Afrika aankomt; in de westelijke Sahara verschijnt hij als zeldzame dwaalgast.
Geluid
Een vloeiend, rollend prrrp of pruik, hoger en zachter dan bij de bijeneter. Groepjes jagen roepend hoog boven de bomen; in koor klinkt het als een aanhoudend zacht gekwetter.
Opname: Mischa Keijmel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Het lichaam is 19–21 cm; de naaldfijne middelste staartpennen steken bij volwassen vogels tot 12 cm uit, bij het vrouwtje wat minder. De kop is in het gebied uniek: zwarte kruin, witte wenkbrauwstreep en wang, een brede zwarte oogstreep en een witte keel die wordt afgesloten door een smalle zwarte borstband. Nek en bovenmantel zijn goudbeige, rug en vleugels groen, stuit en staart lichtblauw, de onderdelen bleek groenachtig wit. In vlucht zijn de slagpennen okerkleurig met een donkere achterrand. Jonge vogels zijn doffer, met een groenige kruin en zonder staartpunten.
Verwarringssoorten
Geen andere bijeneter in het gebied heeft een zwart-witte kop. De Arabische kleine groene bijeneter (Merops cyanophrys) is veel kleiner en geheel groen met een blauwe keel en korte staartpunten. De groene bijeneter (Merops persicus) en de bijeneter (Merops apiaster) zijn forser en hebben een gele kin en een roestbruine of gele keel. Jonge vogels zonder staartpunten tonen al de donkere kruin en de witte wenkbrauw en wang.
Leefgebied
Droge acaciasavanne, wadi's met verspreide bomen en kleinschalig cultuurland met aarden wallen en oevers waarin hij zijn nestgang graaft; in Arabië vooral beneden 1600 m. Jaagt in losse groepen hoog in de lucht, vaak op vliegende mieren en termieten na een regenbui.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied een schaarse broedvogel van Zuidwest-Arabië: de Tihama en de voet van de westelijke escarpementen in Zuidwest-Saoedi-Arabië (Jizan, Asir, onder meer onder de Raydah-escarpe) en het westen van Jemen. Daarbuiten dwaalgast: in Westelijke Sahara bij Dakhla en Oued Dahab (december 2013 en februari–maart 2017, de eerste gevallen voor het West-Palearctisch gebied), in het uiterste zuiden van Algerije (eerste geval gemeld in 2022) en enkele malen in Israël. Broedt verder in de Sahelgordel van Mauritanië tot Sudan, Ethiopië en Kenia, en overwintert in de bosgordel van West- en Centraal-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem van april tot augustus aan de voet van de escarpementen in Zuidwest-Saoedi-Arabië en in de Tihama van Jemen, waar wadi's met acacia's en akkers met aarden wallen samenkomen. De vogels zitten graag op dorre takken en draden en verraden zich door hun zachte roep hoog in de lucht. Een bijeneter met een zwart-witte kop in de westelijke Sahara is een topgeval: maak foto's.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in de Sahel algemeen. In Arabië schaars en plaatselijk, en gevoelig voor het verdwijnen van aarden oevers en wallen door gemechaniseerde landbouw en wegenaanleg.
Wetenschappelijke naam
Merops albicollis | Vieillot, 1817
Vieillot beschreef de soort in 1817 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. albicollis is Latijn, van albus, 'wit', en collum, 'hals' — naar de witte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


