Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Witstaartkeerkringvogel

Witstaartkeerkringvogel | Phaethon lepturus

White-Tailed Tropicbird | Rabijunco coliblanco

De kleinste en slankste keerkringvogel, wit met een zwarte diagonale band over de vleugel en buitengewoon lange staartspiesen. Hij broedt op tropische eilanden in de Indische en Atlantische Oceaan en is in het gidsgebied een zeer zeldzame dwaalgast op zee, met enkele meldingen in de wateren rond Oman en Socotra.

Witstaartkeerkringvogel (Phaethon lepturus)
Foto: Noddicraft — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal stil. Bij de broedplaats een schel, herhaald tik-tik-tik en een raspend krrrie tijdens groepsbaltsvluchten.

Luister: VluchtroepXC760644

Opname: VIBERT Laëtitia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Met spiesen 70–82 cm, zonder ongeveer 38–40 cm; de spiesen zijn naar verhouding langer dan bij de andere keerkringvogels. Volwassen vogels zijn wit met een ongebandeerde rug. Een brede zwarte diagonale band loopt over de binnenste bovenvleugeldekveren en de tertials, en de basis van de buitenste handpennen vormt een zwarte vlek op de vleugelpunt. Door het oog loopt een zwarte streep. De snavel is geel tot oranje. Onvolwassen vogels zijn fijn zwart gebandeerd op de bovendelen, missen de spiesen en de diagonale band en hebben een gelige snavel. Vliegt licht en buigzaam, met snelle slagen, en bidt soms even voor een stootduik.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelkeerkringvogel (Phaethon aethereus), de keerkringvogel die in het gebied broedt, is groter en zwaarder, met een rode snavel, een fijn zwart gebandeerde rug en geen diagonale vleugelband. Onvolwassen vogels van beide soorten zijn lastig; de jonge roodsnavelkeerkringvogel is grover gebandeerd en zijn zwarte oogstreep loopt verder naar de nek. De roodstaartkeerkringvogel (Phaethon rubricauda), die in het gebied niet is vastgesteld, heeft vrijwel witte vleugels en rode spiesen. Een vogel zonder spiesen kan aan een stern doen denken, maar de stevige bouw en de snelle vlucht zijn anders.

Leefgebied

Warme, open oceaan, ver van de kust; komt alleen aan land om te broeden in rotsspleten en boomholten op tropische eilanden. Foerageert met stootduiken op vis en inktvis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied zijn er alleen losse meldingen op zee: in Jemen (2011, en in 2026 een gefotografeerde vogel bij Abd al-Kuri in de Socotra-archipel) en in de Golf van Oman (2016). Een reeks niet gedocumenteerde meldingen op zee voor de kust van de Westelijke Sahara uit 2011 berust waarschijnlijk op verwarring. Op de checklist van Socotra komt de soort niet voor en uit de rest van het gebied zijn geen gevallen bekend. De dichtstbijzijnde broedplaatsen liggen op de Seychellen, de Comoren, Aldabra en de Mascarenen; daarbuiten broedt hij in de hele tropische Indische Oceaan, in de tropische Stille Oceaan, het Caribisch gebied, op Bermuda en de eilanden van de tropische Atlantische Oceaan.

Hoe en wanneer kijken

Een kans is er vooral op zeetochten in de Arabische Zee en voor de kust van Socotra en Dhofar, waar ook roodsnavelkeerkringvogels vliegen; elke keerkringvogel met een effen witte rug en een zwarte vleugelband verdient een foto.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, al lijden sommige broedpopulaties onder ratten, katten en verstoring. In het gidsgebied een zeer zeldzame dwaalgast zonder goed gedocumenteerde, aanvaarde gevallen; de weinige meldingen stammen uit de Arabische Zee en de Golf van Oman.

Wetenschappelijke naam

Phaethon lepturus | Daudin, 1802

Daudin beschreef de soort in 1802 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phaethon werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Phaethon gaat terug op het Griekse phaethon 'zon, de stralende'. lepturus komt van het Griekse leptos, 'dun, slank', en oura, 'staart' — naar de lange, smalle middelste staartpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mauritius.