Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Woestijngrasmus
Woestijngrasmus | Curruca nana
Asian Desert Warbler | Curruca del desierto
De woestijngrasmus is een piepklein, bleek grasmusje uit de steppen en woestijnen van Centraal-Azië dat de winter doorbrengt in de woestijnen van Arabië en het Midden-Oosten. Hij leeft vrijwel op de grond, rennend van struikje naar struikje, en wordt vaak pas opgemerkt aan de roestige staart die hij voortdurend wipt en spreidt. Tot 2025 werd hij samen met de Afrikaanse woestijngrasmus als één soort behandeld.
Geluid
In de winter vooral de roep: een droog, ratelend trrrt, vaak in korte reeksjes, en een nasaal tsjèh. Soms klinkt in het late voorjaar al een stukje zang: een kort strofetje van heldere en krassende tonen door elkaar, dunner en zilveriger dan de babbel van de grasmus.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11,5–12,5 cm. Heel klein en bleek: zandig grijsbruin boven, vuilwit onder, met een warm roestoranje stuit en staart en witte buitenste staartpennen. Juist die roestige staart tegen de koelere, grijzere mantel springt in het oog. De iris is fel geel, het snaveltje strogeel met een donkere punt, de poten bleekgeel. De grote dekveren en tertials hebben donkerder centra binnen bleke zomen, zodat de gevouwen vleugel licht getekend oogt. Geslachten gelijk. Loopt en rent op de grond in plaats van te huppelen.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse woestijngrasmus (Curruca deserti) is warmer en egaler goudzandkleurig, zonder donkere centra in de vleugel, zodat de staart minder afsteekt; hij leeft uitsluitend in de Sahara ten westen van de Nijl, waar de woestijngrasmus niet voorkomt, dus de vindplaats beslist vrijwel altijd. Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea), in de winter in hetzelfde struweel, is groter, heeft een zwartige staart zonder roest en een rode of lichte oogring. De maquiszanger (Scotocerca inquieta) heeft een gestreepte kruin en borst, een donker oog en een lange, donkere, vaak rechtop gehouden staart.
Leefgebied
Vlakke zand- en grindwoestijn met verspreide lage struikjes, zoutstruweel (Haloxylon, Zygophyllum), de randen van wadi's en zandvlakten met duinbegroeiing. Mijdt dicht struweel en bomen. Volgt in de winter vaak een woestijntapuit of zoekt in diens buurt naar voedsel, en loopt als een muisje onder de struikjes door.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast in vrijwel heel het Arabisch Schiereiland: Saoedi-Arabië (vooral het oosten en centrum), Koeweit, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman en het binnenland van Jemen; verder in Zuid- en Oost-Irak, Jordanië, Zuid-Israël (vooral de Arava en de Negev) en de Sinaï, en in kleinere aantallen in de Oostelijke Woestijn van Egypte langs de Rode Zee. Ten westen van de Nijl ontbreekt hij. Broedt van de Kaspische laagvlakte door Centraal-Azië tot Mongolië en Noordwest-China; overwintert ook in Zuid-Iran, Pakistan en Noordwest-India. Dwaalgast in Europa.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de winter in de Arava (Israël en Jordanië) en in de woestijn van de Emiraten en Oman op vlakten met verspreide lage struikjes, en volg een woestijntapuit: de woestijngrasmus houdt zich er vaak vlakbij op. Het ratelende roepje verraadt hem het eerst.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een groot broedgebied in Centraal-Azië. In de winterkwartieren verspreid en meestal in lage dichtheid, maar vrij gewoon in geschikte woestijn; mogelijk plaatselijk gevoelig voor overbegrazing van het struikgewas.
Wetenschappelijke naam
Curruca nana | Hemprich & Ehrenberg, 1833 (GBIF: Sylvia nana)
Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. nana is Latijn voor 'dwerg', ontleend aan het Griekse nanos. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit El Tor op de Sinaï.


