Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Ménétriés' zwartkop

Ménétriés' zwartkop | Curruca mystacea

Ménétriés's Warbler | Curruca de Ménétries

Ménétriés' zwartkop is een bleke, oostelijke verwant van de kleine zwartkop, die broedt in het tamariskstruweel van de rivierdalen van Syrië en Irak en in de winter door het hele oosten van het gidsgebied verspreid zit, van Arabië tot de Rode Zee. Hij valt op door zijn lange, zwartige staart, die hij voortdurend rondzwaait.

Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea)
Foto: Egor Vlasov (egorbirder) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, krassend babbeltje van twee tot vier seconden, dunner en ijler dan dat van de kleine zwartkop, met hier en daar een zoete fluittoon, vanaf de top van een tamarisk of in een kort zangvluchtje. De roep is een droog, zoemend, wat nasaal dzjèh en een hard tsjek. In de winterkwartieren meestal alleen dat zoemende roepje.

Luister: ZangXC1097057

Opname: Kasper Wieck — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Klein en slank met een lange, zwartachtige staart tegen een bleke, zandig grijsbruine rug. Het mannetje heeft een doffe zwarte kruin en een zwart masker rond het oog dat in de nek en op de wangen in grijs vervaagt, een oranjerode oogring, een witte keel en een zachte roze waas op borst en flanken. Tertials en grote dekveren zijn effen. Vrouwtjes en jonge vogels zijn zandgrijs met vuilwitte onderdelen, een bleke oogring en dezelfde donkere staart. Zwaait en draait de staart onophoudelijk.

Verwarrings­soorten

De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) heeft een glanzend gitzwarte kap die scherp tegen de witte keel afsteekt, donkerder bovendelen en zuiver witte onderdelen, en wipt de staart in plaats van hem rond te zwaaien. Rüppells grasmus (Curruca ruppeli) heeft bij het mannetje een zwarte keel met een brede witte baardstreep. De braamsluiper (Curruca curruca) heeft een donkere oorvlek tegen een grijze kruin, maar een kortere, grijzere staart en geen roze waas. De Arabische zwartkop (Curruca leucomelaena) is groter, met een zwarte kap en een donker oog zonder gekleurde ring.

Leefgebied

In de broedtijd tamarisk- en wilgenstruweel langs rivieren en kanalen, ruige oevers, boomgaarden en struweel in droge heuvels. In de winter en op trek vooral tamarisk, acacia en Prosopis in wadi's, struiken rond oases en dadelpalmtuinen, en aangeplant groen in kustwoestijnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in het gidsgebied in het Eufraatdal en langs de zijrivieren in Noord- en Oost-Syrië en in Noord- en Midden-Irak langs Tigris en Eufraat. Op trek en in de winter in vrijwel heel Arabië: schaars in Koeweit, Bahrein, Qatar en de Emiraten, schaars tot vrij algemeen in Saoedi-Arabië (vooral het westen en zuidwesten), Oman en Jemen, waar veel vogels overwinteren. In Jordanië, Israël (vooral Eilat en de Arava) en de Sinaï een schaarse doortrekker en wintergast; langs de Egyptische Rode Zeekust zeldzaam. Daarbuiten broedt hij van Zuidoost-Turkije en de Kaukasus over Iran tot Centraal-Azië en Afghanistan, en overwintert hij in Soedan, Eritrea, Ethiopië en Somalië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in de wadi's en tamarisken van Zuidwest-Saoedi-Arabië, Jemen en Dhofar (Oman), en op doortrek in maart en april in het struweel rond Eilat en in de Emiraten op plekken als Mushrif Park. Luister naar het zoemende dzjèh uit een tamarisk en let op een bleek vogeltje dat de donkere staart rondzwaait.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het broedgebied in Syrië en Irak weinig onderzocht; het rivierstruweel staat er onder druk door ontginning, irrigatie en conflicten. Als wintergast in Arabië vrij stabiel.

Wetenschappelijke naam

Curruca mystacea | (Ménétries, 1832) (GBIF: Sylvia mystacea)

Ménétries beschreef de soort in 1832 als Sylvia mystacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. mystacea gaat terug op het Griekse mystax 'snor, bovenlip' en betekent 'gesnord', naar de witte baardstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Salyan in Azerbeidzjan.