Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Cyprusgrasmus

Cyprusgrasmus | Curruca melanothorax

Cyprus Warbler | Curruca chipriota

De cyprusgrasmus broedt uitsluitend op Cyprus, maar overwintert in de woestijnwadi's van de zuidelijke Levant en de Sinaï, zodat vrijwel de hele wereldpopulatie in de winter binnen dit gidsgebied zit. Een kleine, levendige grasmus van rotsige hellingen met lage struiken, die zich in de winter vaak onopvallend tussen de acacia's ophoudt.

Cyprusgrasmus (Curruca melanothorax)
Foto: Jan Ebr & Ivana Ebrová — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hard, droog tsjek en bij onrust een kort, houterig tsjrrr, trager en droger dan de ratel van de kleine zwartkop. De zang is een korte, stroeve en eentonige strofe van geknars en getjilp; in het winterkwartier hoor je vooral de roep, maar in februari en maart zingen de mannetjes al.

Luister: ZangXC1049015

Opname: Alain Verneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12,5–13,5 cm. Klein en compact, met een lange, vaak opgewipte staart. Het mannetje heeft een zwarte kop tot onder het oog, een smalle witte baardstreep en — het beslissende kenmerk — een witte onderzijde die van keel tot flanken dicht zwart gespikkeld en geschubd is. Oogring oranjerood, mantel donkergrijs, tertials en grote dekveren met smalle witte randen, staart donker met witte buitenpennen. In de winter is de spikkeling door verse, lichte veerranden wat bedekt. Het vrouwtje is grijsbruin met een spikkeling die tot keel en bovenborst beperkt blijft; jonge vogels kunnen bijna ongevlekt zijn, maar houden de witte tertialrandjes.

Verwarrings­soorten

De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) heeft een schone, ongevlekte onderzijde, een fellere rode oogring en egale tertials. Rüppells grasmus (Curruca ruppeli) heeft bij het mannetje een egaal zwarte keel met een brede witte baardstreep; hij is alleen op doortrek aanwezig en dus niet in de winter. Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea) is bleker, met een matter zwarte kop, en beweegt zijn staart voortdurend. Vrouwtjes kunnen lijken op een vrouwtje kleine zwartkop, maar hebben bijna altijd nog enkele donkere spikkels op de keel.

Leefgebied

In de winter in droge, rotsige wadi's en hellingen met verspreide acacia's, Retama- en zoutstruiken, in de woestijn en halfwoestijn van de Negev, de Arava en de Sinaï, tot de randen van de Dode Zee. Broedt op Cyprus in maquis en garrigue op hellingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Overwintert vooral in Zuid-Israël (Negev, Arava, bergen rond Eilat, Dode Zeegebied), in Jordanië langs de Riftvallei van de Dode Zee tot Wadi Araba, in de Sinaï en in het oosten van Egypte tot in de bergen langs de Rode Zee; mogelijk ook schaars in uiterst Noordwest-Saoedi-Arabië. In Libanon en Syrië een schaarse doortrekker, verder dwaalgast. Een deel van de populatie blijft de winter op Cyprus. Buiten het gidsgebied broedt de soort nergens anders dan op Cyprus.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek tussen november en februari in de wadi's van de Eilatbergen, bij Ein Gedi en in de dorre hellingen langs de Arava: een droog tsjek uit een acacia verraadt de vogel. In Jordanië is de omgeving van de Dode Zee en de lage wadi's van het Dana-reservaat goed.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Het broedareaal is klein, maar de soort is op Cyprus gewoon en profiteert van verlaten akkers die dichtgroeien. In de laatste decennia heeft de kleine zwartkop zich op Cyprus sterk uitgebreid, en lokaal concurreren beide soorten.

Wetenschappelijke naam

Curruca melanothorax | (Tristram, 1872) (GBIF: Sylvia melanothorax)

Tristram beschreef de soort in 1872 als Sylvia melanothorax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. melanothorax is Grieks, van melas 'zwart' en thorax 'borst', naar de zwarte tekening op de onderdelen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ein Gedi aan de Dode Zee.