Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Kleine zwartkop

Kleine zwartkop | Curruca melanocephala

Sardinian Warbler | Curruca cabecinegra

De kleine zwartkop is de gewoonste grasmus van de mediterrane rand van het gidsgebied, van de Atlantische kust van Marokko tot de Levant. Je hoort hem eerder dan je hem ziet: het kwade, ratelende tsje-tsje-tsje komt uit vrijwel elke struik, tuin en olijfgaard. In de winter trekken vogels uit het noorden en oosten naar Egypte, de Saharaoases en Noord-Arabië.

Kleine zwartkop (Curruca melanocephala)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hard, ratelend tsje-tsje-tsje-tsje, snel en op één toon, het hele jaar te horen; daarnaast een enkel tsjek. De zang is een korte, snelle, krassende babbel waar die ratel doorheen valt, met af en toe een schel fluittoontje, vanaf een struiktop of in een kort, dansend zangvluchtje.

Luister: ZangXC1141676

Opname: Pablo Guillemaud — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Slank en langstaartig, de staart vaak omhoog of heen en weer. Het mannetje heeft een glanzend zwarte kap die tot onder het oog en over de oorstreek doorloopt, een schoon witte keel, een felrode oogring, een grijze mantel en witte tot lichtgrijze onderdelen met grijze flanken; de staart is zwart met witte buitenpennen. Het vrouwtje heeft een grijze tot grijsbruine kop, een bruingrijze mantel en vaal crème onderdelen, maar ook de rode oogring. De vogels van de Levant en de Sinaï (momus) zijn wat kleiner en bleker, met lichtere flanken.

Verwarrings­soorten

De zwartkop (Sylvia atricapilla) heeft een zwarte pet die boven het oog stopt, geen rode oogring en een grijze keel. Rüppells grasmus (Curruca ruppeli) heeft bij het mannetje ook een zwarte keel met een witte baardstreep, en lichte tertialranden. De cyprusgrasmus (Curruca melanothorax) is bij het mannetje van keel tot flanken zwart gespikkeld. Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea), wintergast en doortrekker in het oosten, is bleker zandgrijs met een mattere kap en een roze zweem op de borst, en beweegt de staart voortdurend. De Arabische zwartkop (Curruca leucomelaena) is groter, met een zware snavel, een donkere staart zonder veel wit en een witte oogring.

Leefgebied

Maquis, garrigue, struweel en lichte bossen, olijfgaarden, boomgaarden, tuinen en parken, van de kust tot in de middelgebergten van de Atlas en de Levant. Wintergasten ook in oases, dadelpalmtuinen, tamarisken langs kanalen en struiken in wadi's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Standvogel in het mediterrane noorden van de Maghreb: Marokko ten zuiden tot de Anti-Atlas, Noord-Algerije, Noord-Tunesië en het noordwesten van Libië, ook in Cyrenaica; in Egypte plaatselijk broedvogel langs de Middellandse Zeekust en in de Nijldelta. In de Levant de vorm momus: Israël, Libanon, West-Syrië, West-Jordanië en de Sinaï. In de winter verspreid tot in de noordelijke Saharaoases, door Egypte langs de Nijl, en schaars in Noord-Saoedi-Arabië, Irak en Koeweit; in de Golfstaten een dwaalgast. Daarbuiten rond de hele Middellandse Zee, van Iberië en de Canarische Eilanden tot Turkije.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Elke tuin in Rabat, Tunis of Tel Aviv volstaat; om de vogel ook te zien moet je wachten tot hij op een struiktop klimt. In de winter is hij in de dadelpalmtuinen van de Marokkaanse oases en in de Sinaï geregeld te vinden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in het gidsgebied talrijk; de soort past zich goed aan aan tuinen, plantages en verruigd cultuurland.

Wetenschappelijke naam

Curruca melanocephala | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla melanocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. melanocephala is Grieks, van melas 'zwart' en kephale 'kop', naar de zwarte kap van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.