Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Woestijnmus

Woestijnmus | Passer simplex

Desert Sparrow | Gorrión sahariano

De woestijnmus is de bleke mus van de Saharaduinen, die met zijn effen zandgrijze rug en spierwitte buik volkomen in zijn omgeving opgaat. Hij leeft ver van grote nederzettingen, in duinen met verspreide struiken en rond kleine oases, en is voor veel vogelaars een van de doelsoorten van een tocht naar de rand van de Sahara.

Woestijnmus (Passer simplex)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zachter en muzikaler dan andere mussen: een heldere, rollende reeks tsjilpjes vanaf een struik of palmblad, en een kort tsjilp en een fijn getril in de vlucht.

Luister: VluchtroepXC890170

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Iets kleiner en slanker dan een Huismus, met een vrij zware kegelsnavel. Het mannetje heeft een effen lichtgrijze kruin, nek en rug zonder streping, een zuiver witte onderzijde, een zwarte teugel die tot het oog loopt en een klein zwart befje. De vleugel is contrastrijk: zwarte middens van dekveren en slagpennen met brede witte of bleke zomen. Snavel zwart in de broedtijd, daarbuiten hoornkleurig. Het vrouwtje is egaal zandkleurig boven en vuilwit onder, zonder zwart op de kop en met minder zwart in de vleugel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De Huismus (Passer domesticus) en de Spaanse mus (Passer hispaniolensis) zijn bruiner en hebben een zwaar gestreepte rug. Het vrouwtje kan op een Woestijnleeuwerik (Ammomanes deserti) of een vrouwtje Woestijnvink (Bucanetes githagineus) lijken; de leeuwerik heeft een dunnere snavel en loopt in plaats van te huppen, de woestijnvink is gedrongener met een kortere, dikkere en roze of oranje snavel. De Soedanese goudmus (Passer luteus) is kleiner, met geel in het kleed.

Leefgebied

Zandwoestijn met verspreide struiken en tamarisken, randen van ergs (duinzeeën), kleine oases en palmgaarden, en droge wadi's met bomen. Nestelt in struiken, palmen, holten in muren en soms in gebouwen. Buiten de broedtijd in kleine groepen, die rond waterplaatsen en kampementen naar zaden zoeken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Jaarvogel in het zuidoosten van Marokko (de Tafilalt rond de Erg Chebbi en de streek van M'Hamid en de Erg Chegaga), schaars in West-Sahara, verspreid in de Algerijnse Sahara (Grand Erg Occidental en Oriental, de omgeving van Béni Abbès, El Menia en Ouargla, verder naar het zuiden plaatselijk), in het zuiden van Tunesië (Grand Erg Oriental, Ksar Ghilane) en in Libië rond Ghadames en in de Fezzan. Voor Egypte zijn er oude meldingen uit de Westelijke Woestijn; de huidige status daar is onduidelijk. Daarbuiten in de Sahara van Mauritanië, Mali, Niger, Tsjaad en Soedan. De Aziatische woestijnmus (Passer zarudnyi) van Turkmenistan en Oezbekistan wordt tegenwoordig als aparte soort beschouwd.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De bekendste plek is de omgeving van de Erg Chebbi bij Merzouga, waar lokale gidsen de vogels rond kleine boerderijen en auberges aan de duinrand weten te vinden. Ga vroeg in de ochtend, voordat de hitte toeslaat, en luister naar de zachte zang.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar dun verspreid en sterk aan de rand van zijn areaal gebonden. Plaatselijk hebben verstoring en vangst voor de handel de aantallen bij toeristische plekken waarschijnlijk verminderd.

Wetenschappelijke naam

Passer simplex | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla simplex; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. simplex is Latijn voor 'eenvoudig, ongetekend', naar het effen zandkleurige verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ambukol in Soedan.