Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Zangstruikleeuwerik

Zangstruikleeuwerik | Mirafra javanica

Singing Bush Lark | Alondra cantante

De zangstruikleeuwerik is in het gebied een Afrikaans-Aziatische buitenpost: een gedrongen, kortstaartige leeuwerik met roestrode vleugels die alleen in de grasvlakten van het zuidwesten en zuiden van Arabië voorkomt. De Arabische vogels behoren tot de vorm cantillans, die vroeger als aparte soort gold.

Zangstruikleeuwerik (Mirafra javanica)
Foto: Oscarem65 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een levendige, droge reeks korte frasen, rijk aan imitaties van andere vogels, gebracht vanaf een struikje of paal en in een fladderende zangvlucht laag boven het gras, soms ook 's nachts. De roep is een kort, droog tsjirp.

Luister: ZangXC950961

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, compact, met een korte staart, een vrij korte, dikke kegelsnavel en een lichte wenkbrauwstreep. Bovendelen bruin met donkere centra aan de veren, onderdelen bleek zandkleurig met een warme borst en fijne donkere stippels in een halve kraag. Het beste kenmerk is de roestbruine vlek in de gesloten vleugel, die in vlucht als een warm paneel in de handpennen zichtbaar is. De staart is donker met witte buitenste veren. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla), die hier op doortrek en in de winter voorkomt, is bleker, heeft geen roestrode vleugel en vaak donkere halsvlekjes. De veldleeuwerik (Alauda arvensis) en de kleine veldleeuwerik (Alauda gulgula) zijn langer gestreept, hebben een kuifje en een witte (of bij de laatste zandkleurige) vleugelachterrand. De kuifleeuwerik (Galerida cristata) heeft een duidelijke kuif en een langere snavel.

Leefgebied

Grasvlakten met verspreide struiken en acacia's, droge savanne in de kustvlakten, de randen van akkers en droge irrigatievelden, en in Dhofar de grasvlakte rond Salalah die door de moesson groen wordt. Mijdt kale woestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het zuidwesten en zuiden van het Arabisch Schiereiland: de Tihama en de lagere hellingen van Asir in Zuidwest-Saoedi-Arabië, de Tihama en de zuidelijke laaglanden van Jemen, en in Oman de vlakte van Salalah en de laaggelegen grasgebieden van Dhofar. In Jemen zeker meer verbreid dan de schaarse waarnemingen aangeven. Daarbuiten in een brede gordel door de Afrikaanse savanne van Senegal tot Ethiopië en Kenia, en in Azië van Pakistan en India tot Zuidoost-Azië, Indonesië en Australië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Dhofar zingen de vogels vanaf augustus tot in de herfst boven de groene grasvlaktes ten oosten van Salalah; wie in de winter komt, vindt ze tussen de kortteenleeuweriken op droge velden en randen van irrigatievelden. Let in vlucht op het roestrode vleugelpaneel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd wereldwijd. In Arabië lokaal; verlies van grasland door bebouwing en overbegrazing rond Salalah en in de Tihama kan de kleine bevolkingen raken.

Wetenschappelijke naam

Mirafra javanica | Horsfield, 1821

Horsfield beschreef de soort in 1821 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mirafra voerde hij in datzelfde werk in. De herkomst van Mirafra is onbekend; Horsfield gaf geen verklaring, en volgens Jobling is het waarschijnlijk een woord uit een inheemse taal, al is het geen bekende Javaanse naam. javanica verwijst naar Java in Indonesië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Java in Indonesië.