Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Zwartkeellijster

Zwartkeellijster | Turdus atrogularis

Black-Throated Thrush | Zorzal papinegro

De zwartkeellijster is een Siberische lijster die in het oosten van het gidsgebied de westrand van zijn winterareaal heeft. In Irak overwintert hij regelmatig; op het Arabisch Schiereiland en langs de Perzische Golf verschijnt hij in wisselende aantallen, in goede winters in groepjes in parken en oases, in andere jaren vrijwel niet.

Zwartkeellijster (Turdus atrogularis)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, licht dalend sieh, zachter dan bij de koperwiek, en een hard, ratelend tsjak-tsjak-tsjak bij het opvliegen van een groep; een verstoorde vogel geeft een droog tuk. De zang is in het gidsgebied vrijwel nooit te horen.

Luister: RoepXC959555

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–27 cm. Een forse, slanke lijster met effen, koel grijsbruine bovendelen, zonder enige warme kleur op mantel, vleugel of staart. Het mannetje heeft teugel, keel en bovenborst gitzwart als een scherp afgesneden bef tegen een witte buik; in de winter zijn die veren licht gezoomd, zodat de bef geschubd lijkt. Vrouwtjes en eerstejaars vogels hebben een witte keel met een donkere baardstreep en zwarte vlekken die op de bovenborst tot een halsband samenvloeien. Flanken grijs, buik wit. De snavel is geel met een donkere punt. De ondervleugeldekveren zijn oranjeroestbruin, opvallend bij het opvliegen.

Verwarrings­soorten

De kramsvogel (Turdus pilaris) is bonter, met een grijze kop en stuit, een kastanjebruine mantel en een witte ondervleugel. De koperwiek (Turdus iliacus) heeft eveneens een roestkleurige ondervleugel, maar een brede witte wenkbrauw, gestreepte onderdelen en roestrode flanken. De bruine lijster (Turdus eunomus), een dwaalgast, heeft een roestrood vleugelpaneel en een sterk getekende kop. De roodkeellijster (Turdus ruficollis), buiten het gidsgebied, heeft een roodbruine keel en borst en roodbruine buitenste staartpennen.

Leefgebied

In de winter boomgaarden, dadelpalmtuinen, irrigatielandbouw met bomen, oases, parken, tuinen en grasvelden, vaak samen met zanglijsters. Foerageert op de grond en op gazons naar wormen en insecten en eet bessen en vruchten. In Irak ook in open bos en struweel op berghellingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Overwintert regelmatig in Irak, vooral in het noorden en in de boomgaarden en tuinen langs Eufraat en Tigris, en verder oostwaarts in Iran. Op het Arabisch Schiereiland een schaarse en wisselende wintergast in Koeweit, het oosten van Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Emiraten en Oman; in sommige winters, zoals 2016/17, op meerdere plaatsen in groepjes. In Syrië, Jordanië, Israël en Egypte een zeldzame dwaalgast. Broedt van de Oeral oostwaarts door West-Siberië tot de Altai en de bergen van Centraal-Azië; overwintert tot in het noorden van het Indiase subcontinent en de Himalaya.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in een park of dadelpalmtuin langs de Perzische Golf: zoek tussen groepjes zanglijsters op gazons naar een grauwere lijster met een donkere keel. Een vogel die een goede plek heeft gevonden, blijft er soms weken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Het broedareaal in de taiga is uitgestrekt; over de trends is weinig bekend. In het gidsgebied wisselt het aantal sterk van jaar tot jaar; het lijkt in Oost-Saoedi-Arabië schaarser dan vroeger, maar dat kan aan de lage waarnemersdichtheid liggen.

Wetenschappelijke naam

Turdus atrogularis | Jarocki, 1819

Jarocki beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. atrogularis is Latijn, van ater 'zwart' en gula 'keel', naar de zwarte keel en borst van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Polen.