Alle soorten › Zangvogels › Waterspreeuwen › Waterspreeuw

Waterspreeuw | Cinclus cinclus

White-Throated Dipper | Mirlo acuático europeo

De waterspreeuw is de enige zangvogel die onder water naar voedsel zoekt: een gedrongen, donkere vogel met een stralend witte bef, die op stenen in snelstromende bergbeken staat te knikken. In het gidsgebied is hij zeldzaam en gebonden aan de koude, heldere beken van de Atlas, de Levant en Koerdistan.

Waterspreeuw (Cinclus cinclus)
Foto: Alun Williams333 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Roept vooral in vlucht een scherp, raspend zrits of tsjrit, goed boven het geruis van het water uit te horen. De zang, ook in de winter, is een zacht, krassend en kabbelend gekwetter met scherpe tonen.

Luister: ZangXC1074256

Opname: bert de bruin — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–20 cm. Rond en gedrongen, met een kort, vaak opgewipt staartje, korte vleugels en sterke poten. Volwassen vogels hebben een donker chocoladebruine kop en nek, een leigrijze, donker geschubde rug en een zuiver witte keel en borst, die abrupt overgaan in een roodbruine band en een zwartbruine buik. De Noord-Afrikaanse ondersoort minor is iets kleiner, met een brede roodbruine buikband; vogels uit de Levant (rufiventris) zijn onder nog warmer roodbruin, die van Koerdistan (caucasicus) donkerder. Knippert bij het knikken met de witte oogleden. Jonge vogels zijn leigrijs, onder vuilwit met donkere schubben. Vliegt snel, laag en recht boven het water.

Verwarrings­soorten

In zijn biotoop vrijwel onmiskenbaar. Een merel (Turdus merula) mist de witte bef en heeft een veel langere staart; de blauwe rotslijster (Monticola solitarius) leeft op rotsen, niet in het water, en heeft geen witte borst.

Leefgebied

Snelstromende, heldere, zuurstofrijke beken en rivieren met stenen, stroomversnellingen en watervallen, meestal in bergdalen tussen ongeveer 800 en 2800 m, vaak in kloven met bomen langs de oever. Duikt en loopt over de bodem tegen de stroom in en eet larven van kokerjuffers, eendagsvliegen en steenvliegen, vlokreeftjes en visjes. Broedt in een bolvormig mosnest onder een brug, achter een waterval of in een rotsspleet boven het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko een schaarse standvogel van bergbeken in de Rif, de Midden-Atlas (onder meer rond Ifrane en Azrou) en de Hoge Atlas (onder meer het Ourikadal); in Noord-Algerije zeer zeldzaam en plaatselijk in de Kabylische bergen; in Tunesië vroeger in de Kroumirie, sinds lang zonder zekere waarnemingen. In Libanon en het westen van Syrië (ondersoort rufiventris) zeer zeldzaam en plaatselijk, op enkele plaatsen mogelijk verdwenen; in Noord-Irak in de bergbeken van Koerdistan. Elders in het gebied ontbreekt hij. Daarbuiten van Europa en Klein-Azië door Centraal-Azië tot de Himalaya en West-China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko in het Ourikadal ten zuiden van Marrakesh of bij de beken rond Ifrane in de Midden-Atlas: loop langzaam langs een kolkende beek en kijk naar een donkere vogel met een witte bef die op een steen staat te knikken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied schaars en kwetsbaar door watervervuiling, wateronttrekking, stuwdammen en het droogvallen van beken.

Wetenschappelijke naam

Cinclus cinclus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sturnus cinclus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinclus werd in 1797 ingevoerd door Borkhausen. Cinclus komt van het Griekse kinklos, bij de klassieke schrijvers de naam van een klein vogeltje aan het water dat met de staart wipte. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.