Alle soorten › Keerkringvogels

Keerkringvogels | Phaethontiformes

Tropicbirds | Rabijuncos

Een kleine orde met één familie en één geslacht van drie soorten. Het zijn zeevogels van tropische en subtropische oceanen. Ze doen aan sterns denken, maar vormen een aparte, oude lijn. Hun naaste levende verwanten zijn de zonneral en de kagoe, en samen staan ze dicht bij de grote groep van watervogels. Het lichaam is gedrongen, het verenkleed grotendeels wit met zwarte tekening, en de twee middelste staartpennen zijn verlengd tot smalle linten die langer kunnen zijn dan de vogel zelf. De snavel is stevig, dolkvormig en fijn gezaagd. De korte poten staan ver naar achteren en hebben zwemvliezen tussen alle vier de tenen. Op het land kunnen ze nauwelijks lopen en schuiven ze op hun buik vooruit. Ze vliegen met snelle, krachtige vleugelslagen, vaak hoog boven zee. Ze jagen alleen op open oceaan, ver van land, en storten zich van grote hoogte in het water om vliegende vissen en inktvissen te pakken. Luchtzakken onder de huid vangen de klap op. Ze broeden op afgelegen eilanden, in rotsspleten, holen of onder overhangende stenen, zonder nestmateriaal. Het ene ei wordt door beide ouders bebroed. Het jong blijft maandenlang in de nestholte en is meteen zelfstandig zodra het uitvliegt. Bij de broedplaats maken groepen luid krijsend baltsvluchten, waarbij de staartlinten goed te zien zijn.

Families in deze orde

  • Keerkringvogels | Phaethontidae3 soortenZeevogels van de warme oceanen, gebouwd om ver van land te blijven: een gedrongen romp, lange smalle vleugels waarmee ze hoog en met snelle, ondiepe slagen boven open water kruisen, en twee middelste staartpennen die als linten achter de vogel aan slepen en bij een volwassen vogel langer zijn dan het hele lijf. Het verenkleed is glanzend wit met zwarte tekening op de handpennen en een zwarte oogstreep; de zware snavel is rood of geel en aan de randen fijn getand, wat een glibberige vangst vasthoudt. Ze duiken van tien tot twintig meter hoogte kaarsrecht het water in, met de vleugels naar achteren geklapt, en halen daar vliegende vissen en inktvis uit. De poten staan ver naar achteren en zijn zo klein dat lopen niet gaat: op de broedplaats schuiven ze op de borst een rotsspleet of struikholte in, waar één ei op de kale grond komt te liggen. Buiten de broedtijd zwerven ze in hun eentje over zee.